Abitur NRW Niederländisch 2022 · LK · Haupttermin · fortgeführt

Abiturprüfung Niederländisch in Nordrhein-Westfalen 2022, LK · Haupttermin · fortgeführt: 12 Aufgaben mit Lösungen. Mit automatischer Korrektur.

Themen der Prüfung: Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor) · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen) · Analyse von Sachtexten, Karikaturen und Grafiken (standpunt en argumentatie) · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer) · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch

Aufgabe HT 1 - Teilaufgabe 1: Textverständnis · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)

Situatie

Buiten schooltijd doe je mee aan On stage, een Europees project voor vluchtelingen in Eindhoven. Daarin maken nieuwe Nederlanders met een vluchtverleden korte theatervoorstellingen. Na afloop praten publiek en acteurs met elkaar over de vraag: “Hoe is het om een nieuw leven op te bouwen in een vreemd land?” Als deelnemer moet jij voor de voorbereidingsgroep onderzoeken of dit fragment uit de roman “Holland” van Al Galidi zich leent om tot een scène te worden bewerkt.

Informatie over de schrijver en de roman

Rodaan Al Galidi (*1971) is een uit Irak afkomstige Nederlandse schrijver. “Holland” is het vervolg op zijn succesvolle roman “Hoe ik talent voor het leven kreeg” die ook als toneelstuk werd opgevoerd. Al Galidi schrijft in deze romans over het asielbeleid en de Nederlandse samenleving. Het hoofdpersonage, asielzoeker Semmier Karim, heeft na negen jaar wachten eindelijk zijn verblijfsvergunning. In dit fragment plant hij een reis en heeft een reisdocument nodig van de gemeente.

Rodaan Al Galidi: Holland

Een glazen deur. Ik liep het gemeentehuis in met de brief met de verblijfsvergunning in

mijn hand. Naar het gemeentehuis gaan is misschien voor jou niets bijzonders, maar voor

mij waren dat soort dagelijkse gebeurtenissen juist het onmogelijkste en het engst. Een

haring bij zijn start pakken, boven je hoofd hijsen en in je mond laten zakken, ongekookt,

5 dat is voor mij geen lekker tussendoortje maar een marteling. Zo was het voor mij ook die

eerste keer bij de gemeente.

Ik weet inmiddels dat Nederlanders meestal goed voorbereid ergens naartoe gaan. Ze weten

precies wat ze willen en wat er van ze verwacht wordt om het te krijgen. Door de juiste

voorbereidingen worden ze niet gezien als stommelingen. Ik wist op dat moment wat ik wilde:

10 geen uitkering en geen woning, maar wel een reisdocument. Terwijl ik het gemeentehuis

binnenstapte en probeerde te bedenken wat ik nu moest doen, haalde een oude vrouw met een

rollator mij in. Een man in uniform met een sympathiek gezicht drukte voor de dame op een

apparaat en gaf haar het papiertje dat eruit rolde. Hij vroeg wat hij voor mij kon betekenen,

gaf mij ook een papieren nummertje uit het apparaat en wees me door naar de wachtruimte.

15 Regelmatig klonk er in de wachtruimte een piepje, waarna iemand opstond en naar een balie

liep. Omdat ik tot dan toe altijd aan het azc 1 had toebehoord en nu ineens bij de gemeente

moest horen, begon ik zonder het te beseffen mijn oude wereld te vergelijken met de nieuwe.

De receptie in het gemeentehuis zag er totaal anders uit dan die in het azc. Rustiger, schoner,

ruimer en de receptie hier was er blijkbaar niet om alles in de gaten te houden. De mensen

20 die binnenkwamen en met een nummertje plaatsnamen in de wachtruimte, liepen allen langs

de receptie alsof die niet bestond. En de receptionisten keken niet op als er iemand langsliep.

In het azc hielden de receptionisten alles en iedereen in de gaten en konden ze, vooral na vijf

uur, als alle kantoren gesloten waren, met één telefoontje de vreemdelingenpolitie op je af

sturen. Ze spraken altijd hard en schreeuwden soms, terwijl de receptioniste hier als ze sprak

25 niet verder dan de persoon voor haar te horen was. Zelfs toen er een paar azielzoekers die niet

goed Nederlands spraken binnenkwamen met hun kinderen, bleven de receptionisten kalm,

raakten niet geïrriteerd en riepen niet: ‘Ga weg en kom terug met een vertaler’. Ook de

ambtenaren achter de balies hielpen iedereen zonder stemverheffing. Tegen niemand werd

geschreeuwd. [...] Twee kinderen van een Somalisch gezin speelden met de koffieautomaat in

30 de wachtruimte. Ze smeten met de plastic bekers en lepeltjes, maar er was niemand die ‘van

wie zijn die kinderen?!’ schreeuwde.

[...]

‘Nummer x83,’ zei ik tegen de vrouw achter balie 5, om te laten zien dat ik niet zomaar naar

haar toe gelopen was, maar ze deed alsof ze niets had gehoord. Er stond een bakje met andere

35 nummertjes erin waar ik mijn x83 bij legde.

De vrouw keek naar haar computerscherm. Ze was naar schatting ergens eind dertig.

[...] ‘Uw legitimatie, alstublieft.’ Ik overhandigde mijn w-document, het identiteitsbewijs

dat asielzoekers tijdens hun procedure krijgen, met de w van wachten. Ze pakte het met

twee vingers in de hoek aan.

40 ‘Waarom bent u hierheen gestuurd?’ vroeg ze. Niet waarom ik was gekomen, maar was

gestuurd, alsof het w-document het bewijs was dat ik daar niet op eigen initiatief kon zijn. Ik

had bedacht dat ik zou zeggen dat ik daar was omdat ik geen uitkering en geen woning wilde,

maar wel een reisdocument, maar haar vraag en haar strakke blik met die blauwgroene ogen

zorgden ervoor dat ik zei: ‘Mevrouw Annelies Vos heeft me hierheen gestuurd omdat ik het

45 generaal pardon 2 heb gekregen.’ Dat was de manier die ik in het azc had geleerd: duidelijk

zeggen dat ik door iemand was doorgestuurd, dat betekende dat het echt de bedoeling was

dat de vrouw achter de balie mij zou helpen en ik geen stappen overgeslagen had.

De vrouw controleerde het A4’tje en het w-document en noteerde iets.

‘Heeft u een adres buiten het azc?’

50 ‘Nog niet, mevrouw.’ Ze keek weer op het scherm. ‘Kan ik het adres van het azc opgeven?’

Ze bleef naar het scherm kijken en gaf geen antwoord. ‘Ik wil graag een reisdocument. Ik

heb een pasfoto en vijftig euro,’ zei ik en wilde die uit mijn binnenzak halen.

‘Met een w-document kunt u geen reisdocument krijgen, daarvoor heeft u een ander pasje

van de IND 3 nodig, met uw verblijfsvergunning erop.’

55 ‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg ik, zonder erbij na te denken. Haar blauwgroene ogen keken mij

ineens nog koeler aan.

‘Meneer...,’ een blik op mijn w-document ‘...Karim. Wij zijn de gemeente. Niet de IND.’

Op een gele post-it schreef ze UVW of GSB of VVD 4, ik weet niet meer wat er stond, maar

het waren in ieder geval drie letters. ‘Ga daarheen voor uw uitkering.’

60 ‘Maar ik wil liever geen uitkering,’ zei ik zacht. Ik had net niet alleen slecht opgelet, ik had

ook iets van haar gevraagd waar ze niets mee te maken had en, zo zou ik inmiddels toch

moeten weten, zo werkte het niet.

‘Meneer, u moet daar zijn,’ zei ze en tikte met haar pen op het notitieblaadje. Ze duwde het

A4’tje en het w-document in mijn richting en keek weer naar het computerscherm. Ik wist

65 niet of ik moest gaan of blijven. In het azc zeiden ze het als je moest gaan, of bevalen ze het,

maar deze vrouw verwachtte dat ik wist dat mijn afspraak met haar beëindigd was.

bron: Al Galidi, Rodaan: Holland. Zwolle: Uitgeverij De Kade 2020, p. 10 – 13

1 Het azc: een asielzoekerscentrum is een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in Nederland verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.

2 generaal pardon: een regeling waarbij migranten die al geruime tijd in Nederland verblijven alsnog een eerder geweigerde verblijfsvergunning toegekend krijgen.

3 IND: Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze dienst beoordeelt de verblijfsaanvragen.

4 UVW, GSB en VVD zijn diverse afkortingen. UVW staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, GSB kan verwijzen naar Groninger Studentenbond of Grote Stedenbeleid en VVD is een politieke partij, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Opdracht: Schrijf de tekst van een spreekbeurt voor de voorbereidingsgroep, die gaat over het fragment uit "Holland" van Rodaan Al Galidi.

•

Vat samen wat er gebeurt in dit fragment uit de roman. [10 Punkte]

Aufgabe HT 1 - Teilaufgabe 2: Analyse literarischer Texte · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen)

Situatie

Buiten schooltijd doe je mee aan On stage, een Europees project voor vluchtelingen in Eindhoven. Daarin maken nieuwe Nederlanders met een vluchtverleden korte theatervoorstellingen. Na afloop praten publiek en acteurs met elkaar over de vraag: “Hoe is het om een nieuw leven op te bouwen in een vreemd land?” Als deelnemer moet jij voor de voorbereidingsgroep onderzoeken of dit fragment uit de roman “Holland” van Al Galidi zich leent om tot een scène te worden bewerkt.

Informatie over de schrijver en de roman

Rodaan Al Galidi (*1971) is een uit Irak afkomstige Nederlandse schrijver. “Holland” is het vervolg op zijn succesvolle roman “Hoe ik talent voor het leven kreeg” die ook als toneelstuk werd opgevoerd. Al Galidi schrijft in deze romans over het asielbeleid en de Nederlandse samenleving. Het hoofdpersonage, asielzoeker Semmier Karim, heeft na negen jaar wachten eindelijk zijn verblijfsvergunning. In dit fragment plant hij een reis en heeft een reisdocument nodig van de gemeente.

Rodaan Al Galidi: Holland

Een glazen deur. Ik liep het gemeentehuis in met de brief met de verblijfsvergunning in

mijn hand. Naar het gemeentehuis gaan is misschien voor jou niets bijzonders, maar voor

mij waren dat soort dagelijkse gebeurtenissen juist het onmogelijkste en het engst. Een

haring bij zijn start pakken, boven je hoofd hijsen en in je mond laten zakken, ongekookt,

5 dat is voor mij geen lekker tussendoortje maar een marteling. Zo was het voor mij ook die

eerste keer bij de gemeente.

Ik weet inmiddels dat Nederlanders meestal goed voorbereid ergens naartoe gaan. Ze weten

precies wat ze willen en wat er van ze verwacht wordt om het te krijgen. Door de juiste

voorbereidingen worden ze niet gezien als stommelingen. Ik wist op dat moment wat ik wilde:

10 geen uitkering en geen woning, maar wel een reisdocument. Terwijl ik het gemeentehuis

binnenstapte en probeerde te bedenken wat ik nu moest doen, haalde een oude vrouw met een

rollator mij in. Een man in uniform met een sympathiek gezicht drukte voor de dame op een

apparaat en gaf haar het papiertje dat eruit rolde. Hij vroeg wat hij voor mij kon betekenen,

gaf mij ook een papieren nummertje uit het apparaat en wees me door naar de wachtruimte.

15 Regelmatig klonk er in de wachtruimte een piepje, waarna iemand opstond en naar een balie

liep. Omdat ik tot dan toe altijd aan het azc 1 had toebehoord en nu ineens bij de gemeente

moest horen, begon ik zonder het te beseffen mijn oude wereld te vergelijken met de nieuwe.

De receptie in het gemeentehuis zag er totaal anders uit dan die in het azc. Rustiger, schoner,

ruimer en de receptie hier was er blijkbaar niet om alles in de gaten te houden. De mensen

20 die binnenkwamen en met een nummertje plaatsnamen in de wachtruimte, liepen allen langs

de receptie alsof die niet bestond. En de receptionisten keken niet op als er iemand langsliep.

In het azc hielden de receptionisten alles en iedereen in de gaten en konden ze, vooral na vijf

uur, als alle kantoren gesloten waren, met één telefoontje de vreemdelingenpolitie op je af

sturen. Ze spraken altijd hard en schreeuwden soms, terwijl de receptioniste hier als ze sprak

25 niet verder dan de persoon voor haar te horen was. Zelfs toen er een paar azielzoekers die niet

goed Nederlands spraken binnenkwamen met hun kinderen, bleven de receptionisten kalm,

raakten niet geïrriteerd en riepen niet: ‘Ga weg en kom terug met een vertaler’. Ook de

ambtenaren achter de balies hielpen iedereen zonder stemverheffing. Tegen niemand werd

geschreeuwd. [...] Twee kinderen van een Somalisch gezin speelden met de koffieautomaat in

30 de wachtruimte. Ze smeten met de plastic bekers en lepeltjes, maar er was niemand die ‘van

wie zijn die kinderen?!’ schreeuwde.

[...]

‘Nummer x83,’ zei ik tegen de vrouw achter balie 5, om te laten zien dat ik niet zomaar naar

haar toe gelopen was, maar ze deed alsof ze niets had gehoord. Er stond een bakje met andere

35 nummertjes erin waar ik mijn x83 bij legde.

De vrouw keek naar haar computerscherm. Ze was naar schatting ergens eind dertig.

[...] ‘Uw legitimatie, alstublieft.’ Ik overhandigde mijn w-document, het identiteitsbewijs

dat asielzoekers tijdens hun procedure krijgen, met de w van wachten. Ze pakte het met

twee vingers in de hoek aan.

40 ‘Waarom bent u hierheen gestuurd?’ vroeg ze. Niet waarom ik was gekomen, maar was

gestuurd, alsof het w-document het bewijs was dat ik daar niet op eigen initiatief kon zijn. Ik

had bedacht dat ik zou zeggen dat ik daar was omdat ik geen uitkering en geen woning wilde,

maar wel een reisdocument, maar haar vraag en haar strakke blik met die blauwgroene ogen

zorgden ervoor dat ik zei: ‘Mevrouw Annelies Vos heeft me hierheen gestuurd omdat ik het

45 generaal pardon 2 heb gekregen.’ Dat was de manier die ik in het azc had geleerd: duidelijk

zeggen dat ik door iemand was doorgestuurd, dat betekende dat het echt de bedoeling was

dat de vrouw achter de balie mij zou helpen en ik geen stappen overgeslagen had.

De vrouw controleerde het A4’tje en het w-document en noteerde iets.

‘Heeft u een adres buiten het azc?’

50 ‘Nog niet, mevrouw.’ Ze keek weer op het scherm. ‘Kan ik het adres van het azc opgeven?’

Ze bleef naar het scherm kijken en gaf geen antwoord. ‘Ik wil graag een reisdocument. Ik

heb een pasfoto en vijftig euro,’ zei ik en wilde die uit mijn binnenzak halen.

‘Met een w-document kunt u geen reisdocument krijgen, daarvoor heeft u een ander pasje

van de IND 3 nodig, met uw verblijfsvergunning erop.’

55 ‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg ik, zonder erbij na te denken. Haar blauwgroene ogen keken mij

ineens nog koeler aan.

‘Meneer...,’ een blik op mijn w-document ‘...Karim. Wij zijn de gemeente. Niet de IND.’

Op een gele post-it schreef ze UVW of GSB of VVD 4, ik weet niet meer wat er stond, maar

het waren in ieder geval drie letters. ‘Ga daarheen voor uw uitkering.’

60 ‘Maar ik wil liever geen uitkering,’ zei ik zacht. Ik had net niet alleen slecht opgelet, ik had

ook iets van haar gevraagd waar ze niets mee te maken had en, zo zou ik inmiddels toch

moeten weten, zo werkte het niet.

‘Meneer, u moet daar zijn,’ zei ze en tikte met haar pen op het notitieblaadje. Ze duwde het

A4’tje en het w-document in mijn richting en keek weer naar het computerscherm. Ik wist

65 niet of ik moest gaan of blijven. In het azc zeiden ze het als je moest gaan, of bevalen ze het,

maar deze vrouw verwachtte dat ik wist dat mijn afspraak met haar beëindigd was.

bron: Al Galidi, Rodaan: Holland. Zwolle: Uitgeverij De Kade 2020, p. 10 – 13

1 Het azc: een asielzoekerscentrum is een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in Nederland verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.

2 generaal pardon: een regeling waarbij migranten die al geruime tijd in Nederland verblijven alsnog een eerder geweigerde verblijfsvergunning toegekend krijgen.

3 IND: Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze dienst beoordeelt de verblijfsaanvragen.

4 UVW, GSB en VVD zijn diverse afkortingen. UVW staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, GSB kan verwijzen naar Groninger Studentenbond of Grote Stedenbeleid en VVD is een politieke partij, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Opdracht: Schrijf de tekst voor een spreekbeurt die je houdt voor de voorbereidingsgroep, naar aanleiding van het fragment uit "Holland" van Rodaan Al Galidi.

•

Karakteriseer hoe Semmier zich gedraagt, hoe hij Nederlanders ziet en welke gevolgen dit heeft voor het gesprek. Besteed daarbij aandacht aan de literaire middelen. [20 Punkte]

Aufgabe HT 1 - Teilaufgabe 3: Beurteilen und Stellung neh… · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)

Situatie

Buiten schooltijd doe je mee aan On stage, een Europees project voor vluchtelingen in Eindhoven. Daarin maken nieuwe Nederlanders met een vluchtverleden korte theatervoorstellingen. Na afloop praten publiek en acteurs met elkaar over de vraag: “Hoe is het om een nieuw leven op te bouwen in een vreemd land?” Als deelnemer moet jij voor de voorbereidingsgroep onderzoeken of dit fragment uit de roman “Holland” van Al Galidi zich leent om tot een scène te worden bewerkt.

Informatie over de schrijver en de roman

Rodaan Al Galidi (*1971) is een uit Irak afkomstige Nederlandse schrijver. “Holland” is het vervolg op zijn succesvolle roman “Hoe ik talent voor het leven kreeg” die ook als toneelstuk werd opgevoerd. Al Galidi schrijft in deze romans over het asielbeleid en de Nederlandse samenleving. Het hoofdpersonage, asielzoeker Semmier Karim, heeft na negen jaar wachten eindelijk zijn verblijfsvergunning. In dit fragment plant hij een reis en heeft een reisdocument nodig van de gemeente.

Rodaan Al Galidi: Holland

Een glazen deur. Ik liep het gemeentehuis in met de brief met de verblijfsvergunning in

mijn hand. Naar het gemeentehuis gaan is misschien voor jou niets bijzonders, maar voor

mij waren dat soort dagelijkse gebeurtenissen juist het onmogelijkste en het engst. Een

haring bij zijn start pakken, boven je hoofd hijsen en in je mond laten zakken, ongekookt,

5 dat is voor mij geen lekker tussendoortje maar een marteling. Zo was het voor mij ook die

eerste keer bij de gemeente.

Ik weet inmiddels dat Nederlanders meestal goed voorbereid ergens naartoe gaan. Ze weten

precies wat ze willen en wat er van ze verwacht wordt om het te krijgen. Door de juiste

voorbereidingen worden ze niet gezien als stommelingen. Ik wist op dat moment wat ik wilde:

10 geen uitkering en geen woning, maar wel een reisdocument. Terwijl ik het gemeentehuis

binnenstapte en probeerde te bedenken wat ik nu moest doen, haalde een oude vrouw met een

rollator mij in. Een man in uniform met een sympathiek gezicht drukte voor de dame op een

apparaat en gaf haar het papiertje dat eruit rolde. Hij vroeg wat hij voor mij kon betekenen,

gaf mij ook een papieren nummertje uit het apparaat en wees me door naar de wachtruimte.

15 Regelmatig klonk er in de wachtruimte een piepje, waarna iemand opstond en naar een balie

liep. Omdat ik tot dan toe altijd aan het azc 1 had toebehoord en nu ineens bij de gemeente

moest horen, begon ik zonder het te beseffen mijn oude wereld te vergelijken met de nieuwe.

De receptie in het gemeentehuis zag er totaal anders uit dan die in het azc. Rustiger, schoner,

ruimer en de receptie hier was er blijkbaar niet om alles in de gaten te houden. De mensen

20 die binnenkwamen en met een nummertje plaatsnamen in de wachtruimte, liepen allen langs

de receptie alsof die niet bestond. En de receptionisten keken niet op als er iemand langsliep.

In het azc hielden de receptionisten alles en iedereen in de gaten en konden ze, vooral na vijf

uur, als alle kantoren gesloten waren, met één telefoontje de vreemdelingenpolitie op je af

sturen. Ze spraken altijd hard en schreeuwden soms, terwijl de receptioniste hier als ze sprak

25 niet verder dan de persoon voor haar te horen was. Zelfs toen er een paar azielzoekers die niet

goed Nederlands spraken binnenkwamen met hun kinderen, bleven de receptionisten kalm,

raakten niet geïrriteerd en riepen niet: ‘Ga weg en kom terug met een vertaler’. Ook de

ambtenaren achter de balies hielpen iedereen zonder stemverheffing. Tegen niemand werd

geschreeuwd. [...] Twee kinderen van een Somalisch gezin speelden met de koffieautomaat in

30 de wachtruimte. Ze smeten met de plastic bekers en lepeltjes, maar er was niemand die ‘van

wie zijn die kinderen?!’ schreeuwde.

[...]

‘Nummer x83,’ zei ik tegen de vrouw achter balie 5, om te laten zien dat ik niet zomaar naar

haar toe gelopen was, maar ze deed alsof ze niets had gehoord. Er stond een bakje met andere

35 nummertjes erin waar ik mijn x83 bij legde.

De vrouw keek naar haar computerscherm. Ze was naar schatting ergens eind dertig.

[...] ‘Uw legitimatie, alstublieft.’ Ik overhandigde mijn w-document, het identiteitsbewijs

dat asielzoekers tijdens hun procedure krijgen, met de w van wachten. Ze pakte het met

twee vingers in de hoek aan.

40 ‘Waarom bent u hierheen gestuurd?’ vroeg ze. Niet waarom ik was gekomen, maar was

gestuurd, alsof het w-document het bewijs was dat ik daar niet op eigen initiatief kon zijn. Ik

had bedacht dat ik zou zeggen dat ik daar was omdat ik geen uitkering en geen woning wilde,

maar wel een reisdocument, maar haar vraag en haar strakke blik met die blauwgroene ogen

zorgden ervoor dat ik zei: ‘Mevrouw Annelies Vos heeft me hierheen gestuurd omdat ik het

45 generaal pardon 2 heb gekregen.’ Dat was de manier die ik in het azc had geleerd: duidelijk

zeggen dat ik door iemand was doorgestuurd, dat betekende dat het echt de bedoeling was

dat de vrouw achter de balie mij zou helpen en ik geen stappen overgeslagen had.

De vrouw controleerde het A4’tje en het w-document en noteerde iets.

‘Heeft u een adres buiten het azc?’

50 ‘Nog niet, mevrouw.’ Ze keek weer op het scherm. ‘Kan ik het adres van het azc opgeven?’

Ze bleef naar het scherm kijken en gaf geen antwoord. ‘Ik wil graag een reisdocument. Ik

heb een pasfoto en vijftig euro,’ zei ik en wilde die uit mijn binnenzak halen.

‘Met een w-document kunt u geen reisdocument krijgen, daarvoor heeft u een ander pasje

van de IND 3 nodig, met uw verblijfsvergunning erop.’

55 ‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg ik, zonder erbij na te denken. Haar blauwgroene ogen keken mij

ineens nog koeler aan.

‘Meneer...,’ een blik op mijn w-document ‘...Karim. Wij zijn de gemeente. Niet de IND.’

Op een gele post-it schreef ze UVW of GSB of VVD 4, ik weet niet meer wat er stond, maar

het waren in ieder geval drie letters. ‘Ga daarheen voor uw uitkering.’

60 ‘Maar ik wil liever geen uitkering,’ zei ik zacht. Ik had net niet alleen slecht opgelet, ik had

ook iets van haar gevraagd waar ze niets mee te maken had en, zo zou ik inmiddels toch

moeten weten, zo werkte het niet.

‘Meneer, u moet daar zijn,’ zei ze en tikte met haar pen op het notitieblaadje. Ze duwde het

A4’tje en het w-document in mijn richting en keek weer naar het computerscherm. Ik wist

65 niet of ik moest gaan of blijven. In het azc zeiden ze het als je moest gaan, of bevalen ze het,

maar deze vrouw verwachtte dat ik wist dat mijn afspraak met haar beëindigd was.

bron: Al Galidi, Rodaan: Holland. Zwolle: Uitgeverij De Kade 2020, p. 10 – 13

1 Het azc: een asielzoekerscentrum is een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in Nederland verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.

2 generaal pardon: een regeling waarbij migranten die al geruime tijd in Nederland verblijven alsnog een eerder geweigerde verblijfsvergunning toegekend krijgen.

3 IND: Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze dienst beoordeelt de verblijfsaanvragen.

4 UVW, GSB en VVD zijn diverse afkortingen. UVW staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, GSB kan verwijzen naar Groninger Studentenbond of Grote Stedenbeleid en VVD is een politieke partij, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Opdracht: Schrijf voor de voorbereidingsgroep de tekst van een spreekbeurt over het fragment uit "Holland" van Rodaan Al Galidi.

•

Beoordeel met behulp van je kennis over integratie of dit tekstfragment geschikt is voor een opvoering en voor de vraagstelling van On stage. [12 Punkte]

Aufgabe HT 1 - Teilaufgabe 4: Sprachmittlung · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch

Situatie

Buiten schooltijd doe je mee aan On stage, een Europees project voor vluchtelingen in Eindhoven. Daarin maken nieuwe Nederlanders met een vluchtverleden korte theatervoorstellingen. Na afloop praten publiek en acteurs met elkaar over de vraag: “Hoe is het om een nieuw leven op te bouwen in een vreemd land?” Als deelnemer moet jij voor de voorbereidingsgroep onderzoeken of dit fragment uit de roman “Holland” van Al Galidi zich leent om tot een scène te worden bewerkt.

Informatie over de schrijver en de roman

Rodaan Al Galidi (*1971) is een uit Irak afkomstige Nederlandse schrijver. “Holland” is het vervolg op zijn succesvolle roman “Hoe ik talent voor het leven kreeg” die ook als toneelstuk werd opgevoerd. Al Galidi schrijft in deze romans over het asielbeleid en de Nederlandse samenleving. Het hoofdpersonage, asielzoeker Semmier Karim, heeft na negen jaar wachten eindelijk zijn verblijfsvergunning. In dit fragment plant hij een reis en heeft een reisdocument nodig van de gemeente.

Rodaan Al Galidi: Holland

Een glazen deur. Ik liep het gemeentehuis in met de brief met de verblijfsvergunning in

mijn hand. Naar het gemeentehuis gaan is misschien voor jou niets bijzonders, maar voor

mij waren dat soort dagelijkse gebeurtenissen juist het onmogelijkste en het engst. Een

haring bij zijn start pakken, boven je hoofd hijsen en in je mond laten zakken, ongekookt,

5 dat is voor mij geen lekker tussendoortje maar een marteling. Zo was het voor mij ook die

eerste keer bij de gemeente.

Ik weet inmiddels dat Nederlanders meestal goed voorbereid ergens naartoe gaan. Ze weten

precies wat ze willen en wat er van ze verwacht wordt om het te krijgen. Door de juiste

voorbereidingen worden ze niet gezien als stommelingen. Ik wist op dat moment wat ik wilde:

10 geen uitkering en geen woning, maar wel een reisdocument. Terwijl ik het gemeentehuis

binnenstapte en probeerde te bedenken wat ik nu moest doen, haalde een oude vrouw met een

rollator mij in. Een man in uniform met een sympathiek gezicht drukte voor de dame op een

apparaat en gaf haar het papiertje dat eruit rolde. Hij vroeg wat hij voor mij kon betekenen,

gaf mij ook een papieren nummertje uit het apparaat en wees me door naar de wachtruimte.

15 Regelmatig klonk er in de wachtruimte een piepje, waarna iemand opstond en naar een balie

liep. Omdat ik tot dan toe altijd aan het azc 1 had toebehoord en nu ineens bij de gemeente

moest horen, begon ik zonder het te beseffen mijn oude wereld te vergelijken met de nieuwe.

De receptie in het gemeentehuis zag er totaal anders uit dan die in het azc. Rustiger, schoner,

ruimer en de receptie hier was er blijkbaar niet om alles in de gaten te houden. De mensen

20 die binnenkwamen en met een nummertje plaatsnamen in de wachtruimte, liepen allen langs

de receptie alsof die niet bestond. En de receptionisten keken niet op als er iemand langsliep.

In het azc hielden de receptionisten alles en iedereen in de gaten en konden ze, vooral na vijf

uur, als alle kantoren gesloten waren, met één telefoontje de vreemdelingenpolitie op je af

sturen. Ze spraken altijd hard en schreeuwden soms, terwijl de receptioniste hier als ze sprak

25 niet verder dan de persoon voor haar te horen was. Zelfs toen er een paar azielzoekers die niet

goed Nederlands spraken binnenkwamen met hun kinderen, bleven de receptionisten kalm,

raakten niet geïrriteerd en riepen niet: ‘Ga weg en kom terug met een vertaler’. Ook de

ambtenaren achter de balies hielpen iedereen zonder stemverheffing. Tegen niemand werd

geschreeuwd. [...] Twee kinderen van een Somalisch gezin speelden met de koffieautomaat in

30 de wachtruimte. Ze smeten met de plastic bekers en lepeltjes, maar er was niemand die ‘van

wie zijn die kinderen?!’ schreeuwde.

[...]

‘Nummer x83,’ zei ik tegen de vrouw achter balie 5, om te laten zien dat ik niet zomaar naar

haar toe gelopen was, maar ze deed alsof ze niets had gehoord. Er stond een bakje met andere

35 nummertjes erin waar ik mijn x83 bij legde.

De vrouw keek naar haar computerscherm. Ze was naar schatting ergens eind dertig.

[...] ‘Uw legitimatie, alstublieft.’ Ik overhandigde mijn w-document, het identiteitsbewijs

dat asielzoekers tijdens hun procedure krijgen, met de w van wachten. Ze pakte het met

twee vingers in de hoek aan.

40 ‘Waarom bent u hierheen gestuurd?’ vroeg ze. Niet waarom ik was gekomen, maar was

gestuurd, alsof het w-document het bewijs was dat ik daar niet op eigen initiatief kon zijn. Ik

had bedacht dat ik zou zeggen dat ik daar was omdat ik geen uitkering en geen woning wilde,

maar wel een reisdocument, maar haar vraag en haar strakke blik met die blauwgroene ogen

zorgden ervoor dat ik zei: ‘Mevrouw Annelies Vos heeft me hierheen gestuurd omdat ik het

45 generaal pardon 2 heb gekregen.’ Dat was de manier die ik in het azc had geleerd: duidelijk

zeggen dat ik door iemand was doorgestuurd, dat betekende dat het echt de bedoeling was

dat de vrouw achter de balie mij zou helpen en ik geen stappen overgeslagen had.

De vrouw controleerde het A4’tje en het w-document en noteerde iets.

‘Heeft u een adres buiten het azc?’

50 ‘Nog niet, mevrouw.’ Ze keek weer op het scherm. ‘Kan ik het adres van het azc opgeven?’

Ze bleef naar het scherm kijken en gaf geen antwoord. ‘Ik wil graag een reisdocument. Ik

heb een pasfoto en vijftig euro,’ zei ik en wilde die uit mijn binnenzak halen.

‘Met een w-document kunt u geen reisdocument krijgen, daarvoor heeft u een ander pasje

van de IND 3 nodig, met uw verblijfsvergunning erop.’

55 ‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg ik, zonder erbij na te denken. Haar blauwgroene ogen keken mij

ineens nog koeler aan.

‘Meneer...,’ een blik op mijn w-document ‘...Karim. Wij zijn de gemeente. Niet de IND.’

Op een gele post-it schreef ze UVW of GSB of VVD 4, ik weet niet meer wat er stond, maar

het waren in ieder geval drie letters. ‘Ga daarheen voor uw uitkering.’

60 ‘Maar ik wil liever geen uitkering,’ zei ik zacht. Ik had net niet alleen slecht opgelet, ik had

ook iets van haar gevraagd waar ze niets mee te maken had en, zo zou ik inmiddels toch

moeten weten, zo werkte het niet.

‘Meneer, u moet daar zijn,’ zei ze en tikte met haar pen op het notitieblaadje. Ze duwde het

A4’tje en het w-document in mijn richting en keek weer naar het computerscherm. Ik wist

65 niet of ik moest gaan of blijven. In het azc zeiden ze het als je moest gaan, of bevalen ze het,

maar deze vrouw verwachtte dat ik wist dat mijn afspraak met haar beëindigd was.

bron: Al Galidi, Rodaan: Holland. Zwolle: Uitgeverij De Kade 2020, p. 10 – 13

1 Het azc: een asielzoekerscentrum is een opvangcentrum voor asielzoekers die tijdelijk in Nederland verblijven tot over hun asielaanvraag is beslist.

2 generaal pardon: een regeling waarbij migranten die al geruime tijd in Nederland verblijven alsnog een eerder geweigerde verblijfsvergunning toegekend krijgen.

3 IND: Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze dienst beoordeelt de verblijfsaanvragen.

4 UVW, GSB en VVD zijn diverse afkortingen. UVW staat voor Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, GSB kan verwijzen naar Groninger Studentenbond of Grote Stedenbeleid en VVD is een politieke partij, de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.

Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert

Opdracht: Projectleider meneer Van Aken is erg geïnteresseerd in het debat over de benamingen voor mensen met een migratieachtergrond. Hij heeft in ZEIT ONLINE een artikel over "Alman" en "Kanak" gevonden en vraagt jou, als Duitstalige, om hulp. Schrijf hem een formele brief waarin je weergeeft welke betekenissen deze twee termen voor jongeren in Duitsland kunnen hebben. [18 Punkte]

Büsra Delikaya: Anker zwischen den Kulturen

Eine Hand schwebt über dem frisch gemähten Rasen. Mit der Nagelschere schneidet sie einen Grashalm kurz. Knips – die Melodie setzt ein. Im Liedtext geht es um altbekannte Klischees über Deutsche. Der klassische Alman, wie ihn der deutsch-österreichische YouTuber Phil Laude in seinem gleichnamigen Musikvideo karikiert, ist jemand, der mit zugeknöpftem Karohemd für Recht und Ordnung sorgt. Almans bezeichnet meistens Deutsche. Wahr ist aber auch: Nicht jeder, der ethnisch deutsch ist, ist ein Alman.

Genauso kann ich als Deutsch-Kurdin hin und wieder typisch Alman sein. Das spüre ich besonders in der Türkei. Etwa wenn ich mich dort darüber aufrege, dass die vielen neuen Zebrastreifen konsequent ignoriert werden, und das reglementierte Leben in Deutschland rühme. Eigentlich bin ich ehrlich gesagt immer dann ein Alman, wenn die Dinge nicht nach meinen Vorstellungen laufen.

Das Wort kommt aus dem Türkischen und meint nichts anderes als deutsch. Vor allem junge Leute mit ganz verschiedenen ethnischen Backgrounds nutzen das Wort. Dieser Jugend slang kommt allerdings nicht bei allen Deutschstämmigen gut an. In den sozialen Netzwerken stieß vor allem der ZEIT-ONLINE-Artikel mit dem Titel Die vier Almans eine Debatte darüber an, ob es nicht verletzend, gar diskriminierend sei, ethnisch Deutsche als Alman zu betiteln, wie es die Schülerinnen und Schüler im Artikel von Seiten ihrer mehrheitlich multiethnischen Mitschüler erfahren.

[...]

Nun wird das Wort Alman trotzdem genutzt, um Menschen abzuwerten. Das darf nicht ignoriert oder relativiert werden. Verlangt ein ethnisch Deutscher, getrennt zu zahlen, wird er gerne als Alman beschimpft – als gebe es eine ethnisch bedingte Knauserigkeit. So wird der Jargon, der eigentlich dazu dient, sich seiner eigenen Identität zu vergewissern, durchaus zur persönlichen Beleidigung. Trotzdem ist Alman nicht gleichzusetzen mit der Verwendung des Ausdrucks Kanake. So wurden die sogenannten Gastarbeiter genannt, in von Grund auf diskriminierender Absicht. „Wer Alman sagt, muss auch Kanake einstecken können“ – diese Behauptung ist fatal.

Das Wort hat dazu beigetragen, dass Menschen, die in dieses Land kamen, lange fremd blieben. Oder gar gehasst und getötet wurden. Bereits im 18. Jahrhundert wurden von europäischen Kolonisatoren völlig unterschiedliche Bevölkerungsgruppen allesamt willkürlich als Kanaka bezeichnet; die ursprüngliche Form der Verwendung war also eine koloniale Fremdbezeichnung.

Aber auch dieses Schimpfwort hat sich zu einer Selbstbezeichnung in der deutschen Jugendsprache gewandelt. So bezeichnet sich der deutsch-türkische Rapper Eko Fresh in seinen Liedern als „dieser Hip-Hop-Kanake“ und das deutsch-kurdische Rapper-Duo Xatar und Haftbefehl veröffentlichte ein Lied mit dem Titel Kanack. Als migrantische Selbstermächtigung wurde Kanake zuerst von dem deutsch-türkischen Schriftsteller Feridun Zaimoğlu in seinem Buch Kanak Sprak – 24 Mißtöne der Gesellschaft vermittelt.

Durch diese Aneignung werten die Jugendlichen den ursprünglich diskriminierenden Ausdruck um zum Zeichen eines neuen, starken Selbstverständnisses. Das Wort gehört nun nicht mehr nur den Diskriminierenden, sondern auch den Diskriminierten. Längst ist also die deutsche Sprache Refugium für all die hybriden Identitäten sogenannter Migrantenkinder geworden. Sie bietet Raum für eine Generation, die sich weder als ganz deutsch noch als ganz türkisch, kurdisch oder arabisch versteht. Beziehungsweise für eine Generation, die beides ist: Alman und Kanake.

Quelle: Delikaya, Büsra: Anker zwischen den Kulturen. ZEIT ONLINE, 17. Februar 2020.

Aufgabe HT 2 - Teilaufgabe 1: Textverständnis · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)

Situatie

Het Europees Jongerenparlement in Brussel roept jongeren op om op een blog te schrijven over de identiteit in de Europese landen en om elkaar leestips te geven. De centrale vraag luidt: “Wie bepaalt onze culturele identiteit?” Jij doet mee en presenteert op basis van een artikel uit het Belgische tijdschrift Knack de situatie in België.

Informatie over de auteurs en de tekst

Ivan De Vadder werkt als politiek journalist bij de VRT, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in België. Jan Callebaut is marketingspecialist. De VRT voerde een omvangrijk onderzoek uit naar de verandering van Vlaanderen in tien jaar tijd; de twee auteurs schreven hierover het boek “Het DNA van Vlaanderen”. Het Belgische weekblad “Knack” presenteert zijn lezers dit fragment als voorpublicatie.

Ivan De Vadder en Jan Callebaut: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’

Identiteit is een belangrijk gegeven geworden in de politiek. Niet onterecht. Bijna drie kwart

van de ondervraagde Vlamingen vindt van in het begin van ons onderzoek, in het jaar 2009,

dat het ‘als Vlamingen belangrijk is om onze identiteit te kunnen beleven’. Er is nauwelijks

verschil in de scores tussen de jaren door, maar in de loop van de jaren schuift de stelling

5 telkens op naar een hogere – en dus belangrijkere plaats – in de rangschikking. Bovendien

is de Vlaming best ‘trots op Vlaanderen’. Die vraag werd zowel in 2014 als in 2019 gesteld,

en telkens gaat ongeveer 60 procent van de Vlamingen akkoord met die stelling.

Ook de groep mensen die niet akkoord gaat met deze stelling, blijft even groot. Nog opvallend

is dat de groep mensen die ‘trots zijn op Vlaanderen’ groter is dan de groep mensen die

10 aangeeft dat ze ‘trots zijn op België’. [...] Die dubbele identiteit is op zich geen paradox, het

is al langer duidelijk en aanvaard dat ‘identiteit’ een gelaagd gegeven is, meestal wordt het

beeld van een lasagne erbij gehaald. Dat deed trouwens ook de nieuwe minister-president van

de Vlaamse regering, Jan Jambon, wanneer hij in het college aan de Gentse universiteit voor

de eerstejaarsstudenten van politicoloog Carl Devos (oktober 2019) zijn ‘lagen’ opsomde.

15 Jambon noemt zich ‘Limburger van afkomst’, en somt voorts op: ‘Ik ben geboren in Genk, ik

woon nu in Brasschaat, ik identificeer mij heel fel met die gemeente, met Brasschaat; ik

voel mij Vlaming, ik ben natuurlijk ook Europeaan, en mocht ik ooit in de ruimte gaan

reizen en je komt er andere leven- de wezens tegen met wie je ene gesprek kan voeren, dan

zou ik zeggen: “Hé, ik ben van de Aarde.”’

20 In de lasagne van Jan Jambon ontbreekt dus de ‘Belgische’ laag, en dat is natuurlijk geen

toeval voor de Vlaams-nationalist die hij is. Het is dan ook geen verrassing dat de nieuwe

Vlaamse regering, onder leiding van Jan Jambon, terugkeert naar een duidelijker nadruk op

Vlaamse natievorming. Volgens politicoloog Dave Sinardet in De Standaard 1 is die klemtoon

niet nieuw. ‘Het is veeleer een terugkeer naar de identiteitspolitiek van de rooms-rode Vlaamse

25 regeringen-Van den Brande uit de jaren 90. Misschien viel het woord “natie” niet zo vaak,

maar de constructie van de Vlaamse identiteit was toen al een centrale missie.’

Onder leiding van minister-president Luc Van den Brande 2 werd de Vlaamse identiteit ook

toen aangescherpt: de officiële Vlaamse symbolen (wapen- schild, vlag, volkslied...) werden

opgenomen in de eindtermen 3, de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlandstalige

30 Uitzendingen) werd omgedoopt tot de Vlaamse Radio en Televisie en werd aangemaand

niet langer over de Belgische maar over de Vlaamse kust te spreken.

[...]

Belangrijke instrumenten om die ‘Vlaamse identiteit complexloos te kunnen beleven’ zijn

wat het regeerakkoord 4 de ‘gedeelde symbolen’ noemt. En de canon 5 van Vlaanderen neemt

35 daar een belangrijke plaats in. De Vlaamse regering wil, gesterkt door het succes van het

Nederlandse voorbeeld, een Vlaamse canon opstellen. Een groep onafhankelijke experts moet

die op wetenschappelijke basis opstellen. ‘Het gaat om een lijst van ankerpunten uit onze

Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen, die zowel in het onderwijs als in het kader

van inburgeringstrajecten ter ondersteuning gebruikt worden.’ En de Vlaamse regering wil

40 die canon ondersteunen met een Museum van de Vlaamse Geschiedenis, en vraagt dat ook

de VRT 6 (meer) bijdraagt aan de Vlaamse identiteit.

Zo’n Museum van de Vlaamse Geschiedenis mag dan een nieuwe instelling zijn, de Vlaamse

regering verwacht van alle bestaande musea en archiefinstellingen dat ze mee ‘het verhaal

van ons gedeeld verleden en de opbouw van onze Vlaamse identiteit’ vertellen. Tenslotte

45 hebben die instellingen ‘objecten, kunstwerken, boeken en documenten uit het verleden

bewaard voor het heden en voor de generaties na ons’.

De Vlaamse regering vindt dat de VRT moet ‘meer dan ooit focussen’ op het versterken van

de Vlaamse identiteit. Dat moet onder meer gebeuren door ‘het hoogste belang aan de

Nederlandse standaardtaal’ te hechten en ook duidelijk te maken in het aanbod dat de openbare

50 omroep brengt.

En ten slotte is er natuurlijk de Vlaamse feestdag. Op die dag, zegt het Vlaamse regeerakkoord,

organiseren we ‘zelfbewust en zonder schroom voor onze identiteit en symbolen jaarlijks een

breed toegankelijke 11 juliviering op de Brusselse Grote Markt, een Vlaams volksfeest met

maximale zichtbaarheid in de media.’ De ondervraagde Vlaming heeft daar wellicht geen

55 problemen mee: 70 procent onder hen zegt expliciet ’zich thuis te voelen in Vlaanderen’.

Tussen 2014 en 2019 is er weinig verschil wat betreft de groep Vlamingen ‘die trots is op

Vlaanderen’ (of niet) en de groep Vlamingen ‘die trots is op België’ (of niet). De twee vragen

scoren alleen beter in de rangschikking, we vinden vooral de vraag ‘trots op België’ op een

veel hogere plaats terug dan in 2014.

60 Al zijn er intussen ook net iets meer Vlamingen dan in 2014 opgestaan, die toegeven dat

‘het woord Vlaming voor hen een wat negatieve kant’ heeft.

bron: Callebaut, Jan en De Vadder, Ivan: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’. Knack, 12 mei 2020 ( Knack: Nederlandstalig Belgisch weekblad)

Im Original enthaltene fehlerhafte Schreibungen wurden korrigiert.

1 De Standaard is een Nederlandstalig Belgisch dagblad.

2 Luc Van den Brande was minister-president van Vlaanderen van 1992 tot 1999 en is voorvechter van meer Vlaamse zelfstandigheid.

3 Eindtermen leggen vast wat er op school geleerd moet worden.

4 het regeerakkoord: de vastgelegde beleidsbeslissingen voor de periode 2019-2024

5 De canon van Vlaanderen moet een lijst van de belangrijkste namen en gebeurtenissen uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis worden en zal in het onderwijs en voor de inburgering in Vlaanderen worden gebruikt.

6 VRT: Vlaamse Radio- en Televisieomroep: openbare organisatie voor radio en tv in Nederlandstalig België

Opdracht: Maak op grond van de tekst "Zes op tien is trots op Vlaanderen" van Jan Callebaut en Ivan De Vadder een verslag over hoe de identiteit in Vlaanderen zich vormt.

•

Stel het onderzoek van de auteurs en de uitkomsten daarvan voor. [10 Punkte]

Aufgabe HT 2 - Teilaufgabe 2: Analyse von Sachtexten · Analyse von Sachtexten, Karikaturen und Grafiken (standpunt en argumentatie)

Situatie

Het Europees Jongerenparlement in Brussel roept jongeren op om op een blog te schrijven over de identiteit in de Europese landen en om elkaar leestips te geven. De centrale vraag luidt: “Wie bepaalt onze culturele identiteit?” Jij doet mee en presenteert op basis van een artikel uit het Belgische tijdschrift Knack de situatie in België.

Informatie over de auteurs en de tekst

Ivan De Vadder werkt als politiek journalist bij de VRT, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in België. Jan Callebaut is marketingspecialist. De VRT voerde een omvangrijk onderzoek uit naar de verandering van Vlaanderen in tien jaar tijd; de twee auteurs schreven hierover het boek “Het DNA van Vlaanderen”. Het Belgische weekblad “Knack” presenteert zijn lezers dit fragment als voorpublicatie.

Ivan De Vadder en Jan Callebaut: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’

Identiteit is een belangrijk gegeven geworden in de politiek. Niet onterecht. Bijna drie kwart

van de ondervraagde Vlamingen vindt van in het begin van ons onderzoek, in het jaar 2009,

dat het ‘als Vlamingen belangrijk is om onze identiteit te kunnen beleven’. Er is nauwelijks

verschil in de scores tussen de jaren door, maar in de loop van de jaren schuift de stelling

5 telkens op naar een hogere – en dus belangrijkere plaats – in de rangschikking. Bovendien

is de Vlaming best ‘trots op Vlaanderen’. Die vraag werd zowel in 2014 als in 2019 gesteld,

en telkens gaat ongeveer 60 procent van de Vlamingen akkoord met die stelling.

Ook de groep mensen die niet akkoord gaat met deze stelling, blijft even groot. Nog opvallend

is dat de groep mensen die ‘trots zijn op Vlaanderen’ groter is dan de groep mensen die

10 aangeeft dat ze ‘trots zijn op België’. [...] Die dubbele identiteit is op zich geen paradox, het

is al langer duidelijk en aanvaard dat ‘identiteit’ een gelaagd gegeven is, meestal wordt het

beeld van een lasagne erbij gehaald. Dat deed trouwens ook de nieuwe minister-president van

de Vlaamse regering, Jan Jambon, wanneer hij in het college aan de Gentse universiteit voor

de eerstejaarsstudenten van politicoloog Carl Devos (oktober 2019) zijn ‘lagen’ opsomde.

15 Jambon noemt zich ‘Limburger van afkomst’, en somt voorts op: ‘Ik ben geboren in Genk, ik

woon nu in Brasschaat, ik identificeer mij heel fel met die gemeente, met Brasschaat; ik

voel mij Vlaming, ik ben natuurlijk ook Europeaan, en mocht ik ooit in de ruimte gaan

reizen en je komt er andere leven- de wezens tegen met wie je ene gesprek kan voeren, dan

zou ik zeggen: “Hé, ik ben van de Aarde.”’

20 In de lasagne van Jan Jambon ontbreekt dus de ‘Belgische’ laag, en dat is natuurlijk geen

toeval voor de Vlaams-nationalist die hij is. Het is dan ook geen verrassing dat de nieuwe

Vlaamse regering, onder leiding van Jan Jambon, terugkeert naar een duidelijker nadruk op

Vlaamse natievorming. Volgens politicoloog Dave Sinardet in De Standaard 1 is die klemtoon

niet nieuw. ‘Het is veeleer een terugkeer naar de identiteitspolitiek van de rooms-rode Vlaamse

25 regeringen-Van den Brande uit de jaren 90. Misschien viel het woord “natie” niet zo vaak,

maar de constructie van de Vlaamse identiteit was toen al een centrale missie.’

Onder leiding van minister-president Luc Van den Brande 2 werd de Vlaamse identiteit ook

toen aangescherpt: de officiële Vlaamse symbolen (wapen- schild, vlag, volkslied...) werden

opgenomen in de eindtermen 3, de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlandstalige

30 Uitzendingen) werd omgedoopt tot de Vlaamse Radio en Televisie en werd aangemaand

niet langer over de Belgische maar over de Vlaamse kust te spreken.

[...]

Belangrijke instrumenten om die ‘Vlaamse identiteit complexloos te kunnen beleven’ zijn

wat het regeerakkoord 4 de ‘gedeelde symbolen’ noemt. En de canon 5 van Vlaanderen neemt

35 daar een belangrijke plaats in. De Vlaamse regering wil, gesterkt door het succes van het

Nederlandse voorbeeld, een Vlaamse canon opstellen. Een groep onafhankelijke experts moet

die op wetenschappelijke basis opstellen. ‘Het gaat om een lijst van ankerpunten uit onze

Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen, die zowel in het onderwijs als in het kader

van inburgeringstrajecten ter ondersteuning gebruikt worden.’ En de Vlaamse regering wil

40 die canon ondersteunen met een Museum van de Vlaamse Geschiedenis, en vraagt dat ook

de VRT 6 (meer) bijdraagt aan de Vlaamse identiteit.

Zo’n Museum van de Vlaamse Geschiedenis mag dan een nieuwe instelling zijn, de Vlaamse

regering verwacht van alle bestaande musea en archiefinstellingen dat ze mee ‘het verhaal

van ons gedeeld verleden en de opbouw van onze Vlaamse identiteit’ vertellen. Tenslotte

45 hebben die instellingen ‘objecten, kunstwerken, boeken en documenten uit het verleden

bewaard voor het heden en voor de generaties na ons’.

De Vlaamse regering vindt dat de VRT moet ‘meer dan ooit focussen’ op het versterken van

de Vlaamse identiteit. Dat moet onder meer gebeuren door ‘het hoogste belang aan de

Nederlandse standaardtaal’ te hechten en ook duidelijk te maken in het aanbod dat de openbare

50 omroep brengt.

En ten slotte is er natuurlijk de Vlaamse feestdag. Op die dag, zegt het Vlaamse regeerakkoord,

organiseren we ‘zelfbewust en zonder schroom voor onze identiteit en symbolen jaarlijks een

breed toegankelijke 11 juliviering op de Brusselse Grote Markt, een Vlaams volksfeest met

maximale zichtbaarheid in de media.’ De ondervraagde Vlaming heeft daar wellicht geen

55 problemen mee: 70 procent onder hen zegt expliciet ’zich thuis te voelen in Vlaanderen’.

Tussen 2014 en 2019 is er weinig verschil wat betreft de groep Vlamingen ‘die trots is op

Vlaanderen’ (of niet) en de groep Vlamingen ‘die trots is op België’ (of niet). De twee vragen

scoren alleen beter in de rangschikking, we vinden vooral de vraag ‘trots op België’ op een

veel hogere plaats terug dan in 2014.

60 Al zijn er intussen ook net iets meer Vlamingen dan in 2014 opgestaan, die toegeven dat

‘het woord Vlaming voor hen een wat negatieve kant’ heeft.

bron: Callebaut, Jan en De Vadder, Ivan: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’. Knack, 12 mei 2020 ( Knack: Nederlandstalig Belgisch weekblad)

Im Original enthaltene fehlerhafte Schreibungen wurden korrigiert.

1 De Standaard is een Nederlandstalig Belgisch dagblad.

2 Luc Van den Brande was minister-president van Vlaanderen van 1992 tot 1999 en is voorvechter van meer Vlaamse zelfstandigheid.

3 Eindtermen leggen vast wat er op school geleerd moet worden.

4 het regeerakkoord: de vastgelegde beleidsbeslissingen voor de periode 2019-2024

5 De canon van Vlaanderen moet een lijst van de belangrijkste namen en gebeurtenissen uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis worden en zal in het onderwijs en voor de inburgering in Vlaanderen worden gebruikt.

6 VRT: Vlaamse Radio- en Televisieomroep: openbare organisatie voor radio en tv in Nederlandstalig België

Opdracht: Stel aan de hand van de tekst "Zes op tien is trots op Vlaanderen" van Jan Callebaut en Ivan De Vadder een verslag op over hoe de identiteit in Vlaanderen zich vormt.

•

Leg uit wat het lasagnemodel inhoudt voor de vorming van de Vlaamse identiteit en welke rol de politiek daarin speelt. Besteed daarbij aandacht aan de manier waarop de auteurs hun standpunt onderbouwen. [18 Punkte]

Aufgabe HT 2 - Teilaufgabe 3: Beurteilen und Stellung neh… · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)

Situatie

Het Europees Jongerenparlement in Brussel roept jongeren op om op een blog te schrijven over de identiteit in de Europese landen en om elkaar leestips te geven. De centrale vraag luidt: “Wie bepaalt onze culturele identiteit?” Jij doet mee en presenteert op basis van een artikel uit het Belgische tijdschrift Knack de situatie in België.

Informatie over de auteurs en de tekst

Ivan De Vadder werkt als politiek journalist bij de VRT, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in België. Jan Callebaut is marketingspecialist. De VRT voerde een omvangrijk onderzoek uit naar de verandering van Vlaanderen in tien jaar tijd; de twee auteurs schreven hierover het boek “Het DNA van Vlaanderen”. Het Belgische weekblad “Knack” presenteert zijn lezers dit fragment als voorpublicatie.

Ivan De Vadder en Jan Callebaut: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’

Identiteit is een belangrijk gegeven geworden in de politiek. Niet onterecht. Bijna drie kwart

van de ondervraagde Vlamingen vindt van in het begin van ons onderzoek, in het jaar 2009,

dat het ‘als Vlamingen belangrijk is om onze identiteit te kunnen beleven’. Er is nauwelijks

verschil in de scores tussen de jaren door, maar in de loop van de jaren schuift de stelling

5 telkens op naar een hogere – en dus belangrijkere plaats – in de rangschikking. Bovendien

is de Vlaming best ‘trots op Vlaanderen’. Die vraag werd zowel in 2014 als in 2019 gesteld,

en telkens gaat ongeveer 60 procent van de Vlamingen akkoord met die stelling.

Ook de groep mensen die niet akkoord gaat met deze stelling, blijft even groot. Nog opvallend

is dat de groep mensen die ‘trots zijn op Vlaanderen’ groter is dan de groep mensen die

10 aangeeft dat ze ‘trots zijn op België’. [...] Die dubbele identiteit is op zich geen paradox, het

is al langer duidelijk en aanvaard dat ‘identiteit’ een gelaagd gegeven is, meestal wordt het

beeld van een lasagne erbij gehaald. Dat deed trouwens ook de nieuwe minister-president van

de Vlaamse regering, Jan Jambon, wanneer hij in het college aan de Gentse universiteit voor

de eerstejaarsstudenten van politicoloog Carl Devos (oktober 2019) zijn ‘lagen’ opsomde.

15 Jambon noemt zich ‘Limburger van afkomst’, en somt voorts op: ‘Ik ben geboren in Genk, ik

woon nu in Brasschaat, ik identificeer mij heel fel met die gemeente, met Brasschaat; ik

voel mij Vlaming, ik ben natuurlijk ook Europeaan, en mocht ik ooit in de ruimte gaan

reizen en je komt er andere leven- de wezens tegen met wie je ene gesprek kan voeren, dan

zou ik zeggen: “Hé, ik ben van de Aarde.”’

20 In de lasagne van Jan Jambon ontbreekt dus de ‘Belgische’ laag, en dat is natuurlijk geen

toeval voor de Vlaams-nationalist die hij is. Het is dan ook geen verrassing dat de nieuwe

Vlaamse regering, onder leiding van Jan Jambon, terugkeert naar een duidelijker nadruk op

Vlaamse natievorming. Volgens politicoloog Dave Sinardet in De Standaard 1 is die klemtoon

niet nieuw. ‘Het is veeleer een terugkeer naar de identiteitspolitiek van de rooms-rode Vlaamse

25 regeringen-Van den Brande uit de jaren 90. Misschien viel het woord “natie” niet zo vaak,

maar de constructie van de Vlaamse identiteit was toen al een centrale missie.’

Onder leiding van minister-president Luc Van den Brande 2 werd de Vlaamse identiteit ook

toen aangescherpt: de officiële Vlaamse symbolen (wapen- schild, vlag, volkslied...) werden

opgenomen in de eindtermen 3, de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlandstalige

30 Uitzendingen) werd omgedoopt tot de Vlaamse Radio en Televisie en werd aangemaand

niet langer over de Belgische maar over de Vlaamse kust te spreken.

[...]

Belangrijke instrumenten om die ‘Vlaamse identiteit complexloos te kunnen beleven’ zijn

wat het regeerakkoord 4 de ‘gedeelde symbolen’ noemt. En de canon 5 van Vlaanderen neemt

35 daar een belangrijke plaats in. De Vlaamse regering wil, gesterkt door het succes van het

Nederlandse voorbeeld, een Vlaamse canon opstellen. Een groep onafhankelijke experts moet

die op wetenschappelijke basis opstellen. ‘Het gaat om een lijst van ankerpunten uit onze

Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen, die zowel in het onderwijs als in het kader

van inburgeringstrajecten ter ondersteuning gebruikt worden.’ En de Vlaamse regering wil

40 die canon ondersteunen met een Museum van de Vlaamse Geschiedenis, en vraagt dat ook

de VRT 6 (meer) bijdraagt aan de Vlaamse identiteit.

Zo’n Museum van de Vlaamse Geschiedenis mag dan een nieuwe instelling zijn, de Vlaamse

regering verwacht van alle bestaande musea en archiefinstellingen dat ze mee ‘het verhaal

van ons gedeeld verleden en de opbouw van onze Vlaamse identiteit’ vertellen. Tenslotte

45 hebben die instellingen ‘objecten, kunstwerken, boeken en documenten uit het verleden

bewaard voor het heden en voor de generaties na ons’.

De Vlaamse regering vindt dat de VRT moet ‘meer dan ooit focussen’ op het versterken van

de Vlaamse identiteit. Dat moet onder meer gebeuren door ‘het hoogste belang aan de

Nederlandse standaardtaal’ te hechten en ook duidelijk te maken in het aanbod dat de openbare

50 omroep brengt.

En ten slotte is er natuurlijk de Vlaamse feestdag. Op die dag, zegt het Vlaamse regeerakkoord,

organiseren we ‘zelfbewust en zonder schroom voor onze identiteit en symbolen jaarlijks een

breed toegankelijke 11 juliviering op de Brusselse Grote Markt, een Vlaams volksfeest met

maximale zichtbaarheid in de media.’ De ondervraagde Vlaming heeft daar wellicht geen

55 problemen mee: 70 procent onder hen zegt expliciet ’zich thuis te voelen in Vlaanderen’.

Tussen 2014 en 2019 is er weinig verschil wat betreft de groep Vlamingen ‘die trots is op

Vlaanderen’ (of niet) en de groep Vlamingen ‘die trots is op België’ (of niet). De twee vragen

scoren alleen beter in de rangschikking, we vinden vooral de vraag ‘trots op België’ op een

veel hogere plaats terug dan in 2014.

60 Al zijn er intussen ook net iets meer Vlamingen dan in 2014 opgestaan, die toegeven dat

‘het woord Vlaming voor hen een wat negatieve kant’ heeft.

bron: Callebaut, Jan en De Vadder, Ivan: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’. Knack, 12 mei 2020 ( Knack: Nederlandstalig Belgisch weekblad)

Im Original enthaltene fehlerhafte Schreibungen wurden korrigiert.

1 De Standaard is een Nederlandstalig Belgisch dagblad.

2 Luc Van den Brande was minister-president van Vlaanderen van 1992 tot 1999 en is voorvechter van meer Vlaamse zelfstandigheid.

3 Eindtermen leggen vast wat er op school geleerd moet worden.

4 het regeerakkoord: de vastgelegde beleidsbeslissingen voor de periode 2019-2024

5 De canon van Vlaanderen moet een lijst van de belangrijkste namen en gebeurtenissen uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis worden en zal in het onderwijs en voor de inburgering in Vlaanderen worden gebruikt.

6 VRT: Vlaamse Radio- en Televisieomroep: openbare organisatie voor radio en tv in Nederlandstalig België

Opdracht: Stel aan de hand van de tekst "Zes op tien is trots op Vlaanderen" van Jan Callebaut en Ivan De Vadder een verslag op over de vorming van de identiteit in Vlaanderen.

•

Beoordeel met behulp van je kennis over België en identiteit in welke mate de politiek je identiteit beïnvloedt en in welke mate de auteurs met hun publicatie de lezers doen nadenken over de vorming van hun eigen identiteit. [14 Punkte]

Aufgabe HT 2 - Teilaufgabe 4: Sprachmittlung · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch

Situatie

Het Europees Jongerenparlement in Brussel roept jongeren op om op een blog te schrijven over de identiteit in de Europese landen en om elkaar leestips te geven. De centrale vraag luidt: “Wie bepaalt onze culturele identiteit?” Jij doet mee en presenteert op basis van een artikel uit het Belgische tijdschrift Knack de situatie in België.

Informatie over de auteurs en de tekst

Ivan De Vadder werkt als politiek journalist bij de VRT, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep in België. Jan Callebaut is marketingspecialist. De VRT voerde een omvangrijk onderzoek uit naar de verandering van Vlaanderen in tien jaar tijd; de twee auteurs schreven hierover het boek “Het DNA van Vlaanderen”. Het Belgische weekblad “Knack” presenteert zijn lezers dit fragment als voorpublicatie.

Ivan De Vadder en Jan Callebaut: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’

Identiteit is een belangrijk gegeven geworden in de politiek. Niet onterecht. Bijna drie kwart

van de ondervraagde Vlamingen vindt van in het begin van ons onderzoek, in het jaar 2009,

dat het ‘als Vlamingen belangrijk is om onze identiteit te kunnen beleven’. Er is nauwelijks

verschil in de scores tussen de jaren door, maar in de loop van de jaren schuift de stelling

5 telkens op naar een hogere – en dus belangrijkere plaats – in de rangschikking. Bovendien

is de Vlaming best ‘trots op Vlaanderen’. Die vraag werd zowel in 2014 als in 2019 gesteld,

en telkens gaat ongeveer 60 procent van de Vlamingen akkoord met die stelling.

Ook de groep mensen die niet akkoord gaat met deze stelling, blijft even groot. Nog opvallend

is dat de groep mensen die ‘trots zijn op Vlaanderen’ groter is dan de groep mensen die

10 aangeeft dat ze ‘trots zijn op België’. [...] Die dubbele identiteit is op zich geen paradox, het

is al langer duidelijk en aanvaard dat ‘identiteit’ een gelaagd gegeven is, meestal wordt het

beeld van een lasagne erbij gehaald. Dat deed trouwens ook de nieuwe minister-president van

de Vlaamse regering, Jan Jambon, wanneer hij in het college aan de Gentse universiteit voor

de eerstejaarsstudenten van politicoloog Carl Devos (oktober 2019) zijn ‘lagen’ opsomde.

15 Jambon noemt zich ‘Limburger van afkomst’, en somt voorts op: ‘Ik ben geboren in Genk, ik

woon nu in Brasschaat, ik identificeer mij heel fel met die gemeente, met Brasschaat; ik

voel mij Vlaming, ik ben natuurlijk ook Europeaan, en mocht ik ooit in de ruimte gaan

reizen en je komt er andere leven- de wezens tegen met wie je ene gesprek kan voeren, dan

zou ik zeggen: “Hé, ik ben van de Aarde.”’

20 In de lasagne van Jan Jambon ontbreekt dus de ‘Belgische’ laag, en dat is natuurlijk geen

toeval voor de Vlaams-nationalist die hij is. Het is dan ook geen verrassing dat de nieuwe

Vlaamse regering, onder leiding van Jan Jambon, terugkeert naar een duidelijker nadruk op

Vlaamse natievorming. Volgens politicoloog Dave Sinardet in De Standaard 1 is die klemtoon

niet nieuw. ‘Het is veeleer een terugkeer naar de identiteitspolitiek van de rooms-rode Vlaamse

25 regeringen-Van den Brande uit de jaren 90. Misschien viel het woord “natie” niet zo vaak,

maar de constructie van de Vlaamse identiteit was toen al een centrale missie.’

Onder leiding van minister-president Luc Van den Brande 2 werd de Vlaamse identiteit ook

toen aangescherpt: de officiële Vlaamse symbolen (wapen- schild, vlag, volkslied...) werden

opgenomen in de eindtermen 3, de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlandstalige

30 Uitzendingen) werd omgedoopt tot de Vlaamse Radio en Televisie en werd aangemaand

niet langer over de Belgische maar over de Vlaamse kust te spreken.

[...]

Belangrijke instrumenten om die ‘Vlaamse identiteit complexloos te kunnen beleven’ zijn

wat het regeerakkoord 4 de ‘gedeelde symbolen’ noemt. En de canon 5 van Vlaanderen neemt

35 daar een belangrijke plaats in. De Vlaamse regering wil, gesterkt door het succes van het

Nederlandse voorbeeld, een Vlaamse canon opstellen. Een groep onafhankelijke experts moet

die op wetenschappelijke basis opstellen. ‘Het gaat om een lijst van ankerpunten uit onze

Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen, die zowel in het onderwijs als in het kader

van inburgeringstrajecten ter ondersteuning gebruikt worden.’ En de Vlaamse regering wil

40 die canon ondersteunen met een Museum van de Vlaamse Geschiedenis, en vraagt dat ook

de VRT 6 (meer) bijdraagt aan de Vlaamse identiteit.

Zo’n Museum van de Vlaamse Geschiedenis mag dan een nieuwe instelling zijn, de Vlaamse

regering verwacht van alle bestaande musea en archiefinstellingen dat ze mee ‘het verhaal

van ons gedeeld verleden en de opbouw van onze Vlaamse identiteit’ vertellen. Tenslotte

45 hebben die instellingen ‘objecten, kunstwerken, boeken en documenten uit het verleden

bewaard voor het heden en voor de generaties na ons’.

De Vlaamse regering vindt dat de VRT moet ‘meer dan ooit focussen’ op het versterken van

de Vlaamse identiteit. Dat moet onder meer gebeuren door ‘het hoogste belang aan de

Nederlandse standaardtaal’ te hechten en ook duidelijk te maken in het aanbod dat de openbare

50 omroep brengt.

En ten slotte is er natuurlijk de Vlaamse feestdag. Op die dag, zegt het Vlaamse regeerakkoord,

organiseren we ‘zelfbewust en zonder schroom voor onze identiteit en symbolen jaarlijks een

breed toegankelijke 11 juliviering op de Brusselse Grote Markt, een Vlaams volksfeest met

maximale zichtbaarheid in de media.’ De ondervraagde Vlaming heeft daar wellicht geen

55 problemen mee: 70 procent onder hen zegt expliciet ’zich thuis te voelen in Vlaanderen’.

Tussen 2014 en 2019 is er weinig verschil wat betreft de groep Vlamingen ‘die trots is op

Vlaanderen’ (of niet) en de groep Vlamingen ‘die trots is op België’ (of niet). De twee vragen

scoren alleen beter in de rangschikking, we vinden vooral de vraag ‘trots op België’ op een

veel hogere plaats terug dan in 2014.

60 Al zijn er intussen ook net iets meer Vlamingen dan in 2014 opgestaan, die toegeven dat

‘het woord Vlaming voor hen een wat negatieve kant’ heeft.

bron: Callebaut, Jan en De Vadder, Ivan: ‘Zes op tien is trots op Vlaanderen’. Knack, 12 mei 2020 ( Knack: Nederlandstalig Belgisch weekblad)

Im Original enthaltene fehlerhafte Schreibungen wurden korrigiert.

1 De Standaard is een Nederlandstalig Belgisch dagblad.

2 Luc Van den Brande was minister-president van Vlaanderen van 1992 tot 1999 en is voorvechter van meer Vlaamse zelfstandigheid.

3 Eindtermen leggen vast wat er op school geleerd moet worden.

4 het regeerakkoord: de vastgelegde beleidsbeslissingen voor de periode 2019-2024

5 De canon van Vlaanderen moet een lijst van de belangrijkste namen en gebeurtenissen uit de Vlaamse cultuur en geschiedenis worden en zal in het onderwijs en voor de inburgering in Vlaanderen worden gebruikt.

6 VRT: Vlaamse Radio- en Televisieomroep: openbare organisatie voor radio en tv in Nederlandstalig België

Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert

Opdracht

Je maakt kennis met Yves De Haen, die een blogbijdrage over Duitsland wil schrijven. Hij is op een artikel over de Oost-Duitse identiteit gestuit en vraagt jou om ondersteuning. Schrijf hem een brief waarin je uitlegt op welke manier de jonge generatie in Oost-Duitsland haar eigen identiteit ervaart. [18 Punkte]

Constanze Hertel: Ich bin „Ossi“: Was heißt das überhaupt?

Jacob ist 26, aufgewachsen in Belgien. Und er bezeichnet sich als „Ossi“ – weil seine Mutter eine Magdeburgerin ist. Doch was ist eigentlich typisch „ostdeutsch“? Und wie kann man sich darauf beziehen, selbst wenn man die DDR nur noch vom Hörensagen kennt?

Die Sachsenbrücke im Leipziger Clara-Park: Junge Leute lehnen am Geländer, trinken Flaschenbier und genießen das Nichtstun. Die meisten von ihnen studieren an der Uni. Die hat in den letzten Jahren einen echten Boom erlebt, ist beliebt bei Abiturienten aus dem Westen und dem Osten Deutschlands. Spielt es da noch eine Rolle, woher man kommt?

Für Johanna, 25, spielt das keine Rolle. Aber sie weiß, dass es für viele Gleichaltrige durchaus ein Thema ist.

„Ich fühle mich nicht wie ein Ossi, aber ich glaube das machen viele noch, auch in unserer Generation. Was ich total schade finde.“

Johanna, 25

Johanna hat aber trotzdem ein Problem mit ihrer Herkunft: Sie kommt nämlich aus Bautzen. Viele verbinden die ostdeutsche Stadt mit den Ausschreitungen Rechtsextremer, die 2016 Asylbewerber geprügelt und durch die Stadt gejagt hatten. Die Vorfälle waren in den Schlagzeilen, und das wirkt nach, meint Michael Lühmann vom Göttinger Institut für Demokratieforschung. Denn es stigmatisiere automatisch auch diejenigen, die damit nichts zu tun haben oder sogar gegen Rechtsextremismus eintreten.

„Wir müssen anerkennen, dass im Osten Deutschland bis zu 80 Prozent der Menschen demokratische Parteien wählen. Und da ist das Urteil des rechtsextremen Ossis etwas, wo sich auch die zurückgesetzt fühlen, die aktiv in Ostdeutschland gegen rechtsextreme Strukturen kämpfen.“

Michael Lühmann, Göttinger Institut für Demokratieforschung

Wer einfach in eine Schublade gesteckt wird, nur weil er aus dem Osten kommt, der könnte sich denken: „So wie ihr uns seht, uns Ostdeutsche, stimmt das nicht.“ Und so kann es passieren, dass sich plötzlich junge Leute wieder als Ossis sehen – aus Trotz oder Solidarität. Das belegt auch eine Studie der Humboldt Universität Berlin.

Um sich als Ossi zu fühlen, braucht es aber nicht immer die Debatte um Rechtsextremismus im Osten. Unterschiede gibt es für viele auch, weil sie schlicht anders aufgewachsen sind – oder das zumindest meinen. Robert beispielsweise, der mit seinem Freund auf der Sachsenbrücke sitzt, sagt: „Die Erziehung ist halt komplett unterschiedlich und dieser Gemeinschaftssinn. Das darf man nicht unter den Teppich kehren.“ Auch im Arbeitsleben gebe es Unterschiede: Leute aus dem Osten seien weniger selbstbewusst im Job, meint er.

„Du erkennst das an der Art und Weise, an dem Selbstbewusstsein, an dem Anspruch Führungspositionen übernehmen zu wollen. Das ist ja auch bundesweit ein Problem. Da lässt man den Ossi einfach nicht ran.“

Robert

Wer sich als Ossi identifiziert, grenzt sich vom Westen ab – und findet immer auch Punkte, die im Osten besser als im Westen laufen. Einen Grund, warum das bei jungen Leuten wieder häufiger vorkommt, kennt Hendrik Berth. Er ist Psychologe und Professor an der TU Dresden und hat sich mit den Auswirkungen der Wende beschäftigt. Im Nachhinein, meint er, wird vieles verklärt.

„Wir haben ein Phänomen, dass die DDR mit jedem Jahr, in dem sie nicht mehr existiert, immer besser wahrgenommen wird, Dinge positiver erlebt werden, als sie damals waren und auch weitergegeben werden. Vielleicht auch als typisch ostdeutscher Wert, den es zu erhalten gilt.“

Hendrik Berth, Psychologe an der TU Dresden

[...]

Was also jeder Einzelne als „typisch ostdeutsch“ empfindet und was nicht, das ist durchaus unterschiedlich. Und das sei auch kein Wunder, meint Demokratieforscher Michael Lühmann: „Man hat zwar eine gemeinsame geteilte Geschichte“, sagt er. Aber es gebe auch im Osten politisch-kulturelle Unterschiede, etwa im Norden und im Süden oder auch von Stadt zu Stadt.

Quelle: Hertel, Constanze: Ich bin „Ossi“: Was heißt das überhaupt? Deutschlandfunk Nova, 30. August 2019.

Aufgabe HT 3 - Teilaufgabe 1: Textverständnis · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)

Situatie

Klimaat in de Klas is een initiatief van Fridays For Future Nederland dat op scholen aandacht vraagt voor de klimaatcrisis. Om een projectdag te openen voeren jonge acteurs een toneelscène op. Op de website vraagt de groep om reacties op een fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer. Ook jij wilt iets doen en je beantwoordt dat verzoek.

Informatie over de schrijfster en de roman

In haar roman “De Ark” beschrijft Wanda Bommer (*1969) Leonoor Levie, een bekende Nederlandse schrijfster die op het cruiseschip “The Ark” een eigentijdse versie van het bijbelse Noach-verhaal schrijft. Terwijl zij aan boord is, laat God zich in Amsterdam zien. In dit fragment wordt God ten overstaan van een groot publiek door de journalist De Haan geïnterviewd. Leonoor Levie kijkt samen met andere passagiers naar de live-uitzending van dit gesprek.

Wanda Bommer: De Ark

‘Eerst zou ik graag van u horen of u hier bent om te vertellen dat ons een tweede zondvloed te wachten staat.’

God leunt achterover in zijn stoel, plaatst zijn vingertoppen tegen elkaar, beroert zijn lippen met zijn wijsvingers. Hij denkt na. Kennelijk weet hij niet op elk vraagstuk binnen een fractie 5 van een seconde het antwoord. Dan snuift hij lucht naar binnen en knikt alsof hij zojuist een beslissing heeft genomen.

‘Genesis 1 is een prachtig boek,’ begint hij. ‘En een leidraad voor eenieder die deugdzaam wil leven. [...]

Die brave Noach was vijfhonderd jaar oud toen ik hem vroeg een ark te bouwen, vervolgens 10 vervulde hij die taak in ongeveer honderdtwintig jaar, en na de zondvloed leefde hij nog eens driehonderdvijftig jaar. Telt u even mee. Tegenwoordig worden mensen ouder dan ooit, maar veel langer dan een eeuw houdt u het nog altijd niet uit. En vijfduizend jaar geleden zou Noach dan negenhonderdvijftig jaar oud geworden zijn? Iedereen met een beetje nuchter verstand begrijpt dat dit niet klopt,’

15 De Haan knikt.

‘Nadat Noach een volstrekt ongeloofwaardig lange periode aan de ark gebouwd had, zou ik het veertig dagen en nachten hebben laten regenen, waarop de ganse wereld onder water stond, tot het hoogste gebergte aan toe. U leeft zelf in een land waar het vaak regent. Misschien geen veertig etmalen achtereen, maar we kunnen stellen dat er hier gedurende bepaalde periodes 20 bijzonder veel neerslag valt. Desalniettemin zal u nooit bevreesd zijn dat de aarde zal verdrinken door een wolkbreuk. En terecht. Vijftig millimeter per dag ervaart u als zware regen. Per etmaal zou dat honderd millimeter zijn. Laten we dat verdubbelen, omwille van het maken van mijn punt. Tweehonderd millimeter per etmaal. Dat is zo’n krankzinnige hoeveelheid neerslag, dat heeft u nog nooit meegemaakt. Dat maal veertig etmalen zou 25 achtduizend millimeter zijn. Oftewel acht meter. Dan staat het water misschien tot bovenaan de ramen van deze prachtige zaal hier. Dat vindt zijn weg wel in zeeën en rivieren, dat zakt wel weg in het slijk der aarde. Veertig dagen en nachten regen is bij lange na niet voldoende voor een zondvloed.’

‘Dus aan de ene kant hebben de geschiedschrijvers Noach veel te veel jaren van leven 30 toegedicht, en tegelijkertijd comprimeerden ze de tijd die u nodig had om de zondvloed te bewerkstelligen tot een onrealistisch korte periode,’ resumeert De Haan.

‘Heel goed,’ zegt God. ‘Als we met de moderne tijd zouden rekenen, dan zou ik zelfs durven stellen dat het op z’n minst andersom was. Dat Noach die boot in veertig dagen in elkaar getimmerd heeft en dat het vervolgens honderdtwintig dagen onafgebroken heeft geregend. 35 Nogmaals, we kunnen de moderne tijd niet zomaar implementeren in een historische vertelling, maar u begrijpt mijn punt, nietwaar?’

De Haan knikt weer en gaat verzitten. Hij wordt ongeduldig.

‘Deze conclusie in uw achterhoofd houdend, vraag ik u om samen met mij wat afstand te nemen tot de huidige situatie,’ vervolgt God. ‘Visualiseer dat u met mij meegaat dit gebouw 40 uit. Ja, dat geldt voor u allemaal! Sluit uw ogen. Loop met me mee naar buiten. We stijgen op en bezien de aarde van een afstand. De bossen, de zeeën, het groen en het blauw. Waar we nu zijn bestaat de factor tijd niet. Er zijn geen dagen, geen nachten, geen maanden, geen jaren.’

Zonder uitzondering registreren we gesloten ogen. Zelfs De Haan doet mee, zij het met bozig samengeperste lippen. Verder zien we louter ontspannen gezichten. Alsof het publiek 45 werkelijk in een luchtbel boven de aarde zweeft.

‘Ziet u dat?’ vervolgt God. ‘De zeespiegel stijgt. Dat weet u al, want het is al jarenlang dagelijks in het nieuws, maar hiervandaan kunt u het met uw eigen ogen zien gebeuren. Steeds meer water, steeds minder land. Kijk bijvoorbeeld eens daar, links van u, naar die eilandengroep in de buurt van Australië. Die drieëndertig atollen. Zie u wel? Kiribati 2 heet 50 het. Daar wonen op dit moment mensen. Vaders, moeders, kinderen, grootouders, vrienden, vriendinnen, collega’s. Ziet u hoe ze verdwijnen, die bewoonde eilanden? Hoe ze worden verzwolgen door de zee? Blijf opletten nu, want straks is het te laat. Dan kunt u ze opeens niet meer aanwijzen. Alsof ze er nooit geweest zijn. De zee golft dan ongehinderd over de plek waar nu nog woningen staan. En scholen, ziekenhuizen en kerken. 55

Gebouwen waarin mensen zich veilig achten. Als we uw moderne kalender aanhouden dan zal dit proces over maximaal vijftig jaar voltooid zijn. Misschien al over dertig. Velen van u gaan het meemaken, ondanks uw beperkte levensduur. Dat is geen dreigement of een vervloeking mijnerzijds. Dit hebben wetenschappers, uw eigen aardse wetenschappers, becijferd. Het is een feit. Andere laaggelegen gebieden zullen volgen. Daarna hogere 60 contreien 3. En het wassende water stopt niet. Er zit geen rem op, er is geen maximum afgesproken met een of ander management.’

Hij is een bevlogen spreker. Hij had een hoop ellende kunnen voorkomen als hij bepaalde figuren uit de recente geschiedenis naar huis had gedebatteerd. Het publiek ziet er minder vredig uit dan zonet. 65

‘Kom,’ zegt God. ‘We gaan weer naar binnen. Doet u uw ogen weer open. Kijk, daar zijn we weer. Sorry als ik u heb laten schrikken, maar beelden zeggen meer dan woorden.’

[...]

‘Maar,’ begint De Haan. Hij ziet er ontdaan uit. ‘Begrijp ik u nu goed?’

God knikt, monter als een makelaar die zijn cliënt vertelt dat de koop rond is.

70 ‘U zegt in feite —’ weer maakt De Haan zijn zin niet af.

‘Exact,’ zegt God. ‘Mijn zeer concrete antwoord op uw vraag is: neen, u hoeft niet te vrezen voor een tweede zondvloed in de toekomst, want u zit er reeds middenin.’

bron: Bommer, Wanda: De Ark. Amsterdam: Uitgeverij Brandt 2020, p. 106 – 111

1 Genesis is het begin van de bijbel en bevat ook het verhaal van de zondvloed. De mensheid ontwikkelde zich van kwaad tot erger en God strafte ze door de vloed. Alleen Noach, zijn gezin en de dieren overleefden in de ark die hij bouwde.

2 Kiribati: zuidoostelijke van Azië gelegen eilandengroep, die nauwelijks twee meter boven zeeniveau ligt.

3 de contrei: landstreek, gebied

Opdracht: Schrijf een commentaar naar aanleiding van het fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer.

•

Geef een samenvatting van het interview waarom het in dit fragment draait. [10 Punkte]

Aufgabe HT 3 - Teilaufgabe 2: Analyse literarischer Texte · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen)

Situatie

Klimaat in de Klas is een initiatief van Fridays For Future Nederland dat op scholen aandacht vraagt voor de klimaatcrisis. Om een projectdag te openen voeren jonge acteurs een toneelscène op. Op de website vraagt de groep om reacties op een fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer. Ook jij wilt iets doen en je beantwoordt dat verzoek.

Informatie over de schrijfster en de roman

In haar roman “De Ark” beschrijft Wanda Bommer (*1969) Leonoor Levie, een bekende Nederlandse schrijfster die op het cruiseschip “The Ark” een eigentijdse versie van het bijbelse Noach-verhaal schrijft. Terwijl zij aan boord is, laat God zich in Amsterdam zien. In dit fragment wordt God ten overstaan van een groot publiek door de journalist De Haan geïnterviewd. Leonoor Levie kijkt samen met andere passagiers naar de live-uitzending van dit gesprek.

Wanda Bommer: De Ark

‘Eerst zou ik graag van u horen of u hier bent om te vertellen dat ons een tweede zondvloed te wachten staat.’

God leunt achterover in zijn stoel, plaatst zijn vingertoppen tegen elkaar, beroert zijn lippen met zijn wijsvingers. Hij denkt na. Kennelijk weet hij niet op elk vraagstuk binnen een fractie 5 van een seconde het antwoord. Dan snuift hij lucht naar binnen en knikt alsof hij zojuist een beslissing heeft genomen.

‘Genesis 1 is een prachtig boek,’ begint hij. ‘En een leidraad voor eenieder die deugdzaam wil leven. [...]

Die brave Noach was vijfhonderd jaar oud toen ik hem vroeg een ark te bouwen, vervolgens 10 vervulde hij die taak in ongeveer honderdtwintig jaar, en na de zondvloed leefde hij nog eens driehonderdvijftig jaar. Telt u even mee. Tegenwoordig worden mensen ouder dan ooit, maar veel langer dan een eeuw houdt u het nog altijd niet uit. En vijfduizend jaar geleden zou Noach dan negenhonderdvijftig jaar oud geworden zijn? Iedereen met een beetje nuchter verstand begrijpt dat dit niet klopt,’

15 De Haan knikt.

‘Nadat Noach een volstrekt ongeloofwaardig lange periode aan de ark gebouwd had, zou ik het veertig dagen en nachten hebben laten regenen, waarop de ganse wereld onder water stond, tot het hoogste gebergte aan toe. U leeft zelf in een land waar het vaak regent. Misschien geen veertig etmalen achtereen, maar we kunnen stellen dat er hier gedurende bepaalde periodes 20 bijzonder veel neerslag valt. Desalniettemin zal u nooit bevreesd zijn dat de aarde zal verdrinken door een wolkbreuk. En terecht. Vijftig millimeter per dag ervaart u als zware regen. Per etmaal zou dat honderd millimeter zijn. Laten we dat verdubbelen, omwille van het maken van mijn punt. Tweehonderd millimeter per etmaal. Dat is zo’n krankzinnige hoeveelheid neerslag, dat heeft u nog nooit meegemaakt. Dat maal veertig etmalen zou 25 achtduizend millimeter zijn. Oftewel acht meter. Dan staat het water misschien tot bovenaan de ramen van deze prachtige zaal hier. Dat vindt zijn weg wel in zeeën en rivieren, dat zakt wel weg in het slijk der aarde. Veertig dagen en nachten regen is bij lange na niet voldoende voor een zondvloed.’

‘Dus aan de ene kant hebben de geschiedschrijvers Noach veel te veel jaren van leven 30 toegedicht, en tegelijkertijd comprimeerden ze de tijd die u nodig had om de zondvloed te bewerkstelligen tot een onrealistisch korte periode,’ resumeert De Haan.

‘Heel goed,’ zegt God. ‘Als we met de moderne tijd zouden rekenen, dan zou ik zelfs durven stellen dat het op z’n minst andersom was. Dat Noach die boot in veertig dagen in elkaar getimmerd heeft en dat het vervolgens honderdtwintig dagen onafgebroken heeft geregend. 35 Nogmaals, we kunnen de moderne tijd niet zomaar implementeren in een historische vertelling, maar u begrijpt mijn punt, nietwaar?’

De Haan knikt weer en gaat verzitten. Hij wordt ongeduldig.

‘Deze conclusie in uw achterhoofd houdend, vraag ik u om samen met mij wat afstand te nemen tot de huidige situatie,’ vervolgt God. ‘Visualiseer dat u met mij meegaat dit gebouw 40 uit. Ja, dat geldt voor u allemaal! Sluit uw ogen. Loop met me mee naar buiten. We stijgen op en bezien de aarde van een afstand. De bossen, de zeeën, het groen en het blauw. Waar we nu zijn bestaat de factor tijd niet. Er zijn geen dagen, geen nachten, geen maanden, geen jaren.’

Zonder uitzondering registreren we gesloten ogen. Zelfs De Haan doet mee, zij het met bozig samengeperste lippen. Verder zien we louter ontspannen gezichten. Alsof het publiek 45 werkelijk in een luchtbel boven de aarde zweeft.

‘Ziet u dat?’ vervolgt God. ‘De zeespiegel stijgt. Dat weet u al, want het is al jarenlang dagelijks in het nieuws, maar hiervandaan kunt u het met uw eigen ogen zien gebeuren. Steeds meer water, steeds minder land. Kijk bijvoorbeeld eens daar, links van u, naar die eilandengroep in de buurt van Australië. Die drieëndertig atollen. Zie u wel? Kiribati 2 heet 50 het. Daar wonen op dit moment mensen. Vaders, moeders, kinderen, grootouders, vrienden, vriendinnen, collega’s. Ziet u hoe ze verdwijnen, die bewoonde eilanden? Hoe ze worden verzwolgen door de zee? Blijf opletten nu, want straks is het te laat. Dan kunt u ze opeens niet meer aanwijzen. Alsof ze er nooit geweest zijn. De zee golft dan ongehinderd over de plek waar nu nog woningen staan. En scholen, ziekenhuizen en kerken. 55

Gebouwen waarin mensen zich veilig achten. Als we uw moderne kalender aanhouden dan zal dit proces over maximaal vijftig jaar voltooid zijn. Misschien al over dertig. Velen van u gaan het meemaken, ondanks uw beperkte levensduur. Dat is geen dreigement of een vervloeking mijnerzijds. Dit hebben wetenschappers, uw eigen aardse wetenschappers, becijferd. Het is een feit. Andere laaggelegen gebieden zullen volgen. Daarna hogere 60 contreien 3. En het wassende water stopt niet. Er zit geen rem op, er is geen maximum afgesproken met een of ander management.’

Hij is een bevlogen spreker. Hij had een hoop ellende kunnen voorkomen als hij bepaalde figuren uit de recente geschiedenis naar huis had gedebatteerd. Het publiek ziet er minder vredig uit dan zonet. 65

‘Kom,’ zegt God. ‘We gaan weer naar binnen. Doet u uw ogen weer open. Kijk, daar zijn we weer. Sorry als ik u heb laten schrikken, maar beelden zeggen meer dan woorden.’

[...]

‘Maar,’ begint De Haan. Hij ziet er ontdaan uit. ‘Begrijp ik u nu goed?’

God knikt, monter als een makelaar die zijn cliënt vertelt dat de koop rond is.

70 ‘U zegt in feite —’ weer maakt De Haan zijn zin niet af.

‘Exact,’ zegt God. ‘Mijn zeer concrete antwoord op uw vraag is: neen, u hoeft niet te vrezen voor een tweede zondvloed in de toekomst, want u zit er reeds middenin.’

bron: Bommer, Wanda: De Ark. Amsterdam: Uitgeverij Brandt 2020, p. 106 – 111

1 Genesis is het begin van de bijbel en bevat ook het verhaal van de zondvloed. De mensheid ontwikkelde zich van kwaad tot erger en God strafte ze door de vloed. Alleen Noach, zijn gezin en de dieren overleefden in de ark die hij bouwde.

2 Kiribati: zuidoostelijke van Azië gelegen eilandengroep, die nauwelijks twee meter boven zeeniveau ligt.

3 de contrei: landstreek, gebied

Opdracht: Schrijf een commentaar op het fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer.

•

Karakteriseer het personage “God” en beschrijf hoe hij de vraag van de presentator aanpakt. Betrek hierbij literaire middelen. [18 Punkte]

Aufgabe HT 3 - Teilaufgabe 3: Beurteilen und Stellung neh… · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)

Situatie

Klimaat in de Klas is een initiatief van Fridays For Future Nederland dat op scholen aandacht vraagt voor de klimaatcrisis. Om een projectdag te openen voeren jonge acteurs een toneelscène op. Op de website vraagt de groep om reacties op een fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer. Ook jij wilt iets doen en je beantwoordt dat verzoek.

Informatie over de schrijfster en de roman

In haar roman “De Ark” beschrijft Wanda Bommer (*1969) Leonoor Levie, een bekende Nederlandse schrijfster die op het cruiseschip “The Ark” een eigentijdse versie van het bijbelse Noach-verhaal schrijft. Terwijl zij aan boord is, laat God zich in Amsterdam zien. In dit fragment wordt God ten overstaan van een groot publiek door de journalist De Haan geïnterviewd. Leonoor Levie kijkt samen met andere passagiers naar de live-uitzending van dit gesprek.

Wanda Bommer: De Ark

‘Eerst zou ik graag van u horen of u hier bent om te vertellen dat ons een tweede zondvloed te wachten staat.’

God leunt achterover in zijn stoel, plaatst zijn vingertoppen tegen elkaar, beroert zijn lippen met zijn wijsvingers. Hij denkt na. Kennelijk weet hij niet op elk vraagstuk binnen een fractie 5 van een seconde het antwoord. Dan snuift hij lucht naar binnen en knikt alsof hij zojuist een beslissing heeft genomen.

‘Genesis 1 is een prachtig boek,’ begint hij. ‘En een leidraad voor eenieder die deugdzaam wil leven. [...]

Die brave Noach was vijfhonderd jaar oud toen ik hem vroeg een ark te bouwen, vervolgens 10 vervulde hij die taak in ongeveer honderdtwintig jaar, en na de zondvloed leefde hij nog eens driehonderdvijftig jaar. Telt u even mee. Tegenwoordig worden mensen ouder dan ooit, maar veel langer dan een eeuw houdt u het nog altijd niet uit. En vijfduizend jaar geleden zou Noach dan negenhonderdvijftig jaar oud geworden zijn? Iedereen met een beetje nuchter verstand begrijpt dat dit niet klopt,’

15 De Haan knikt.

‘Nadat Noach een volstrekt ongeloofwaardig lange periode aan de ark gebouwd had, zou ik het veertig dagen en nachten hebben laten regenen, waarop de ganse wereld onder water stond, tot het hoogste gebergte aan toe. U leeft zelf in een land waar het vaak regent. Misschien geen veertig etmalen achtereen, maar we kunnen stellen dat er hier gedurende bepaalde periodes 20 bijzonder veel neerslag valt. Desalniettemin zal u nooit bevreesd zijn dat de aarde zal verdrinken door een wolkbreuk. En terecht. Vijftig millimeter per dag ervaart u als zware regen. Per etmaal zou dat honderd millimeter zijn. Laten we dat verdubbelen, omwille van het maken van mijn punt. Tweehonderd millimeter per etmaal. Dat is zo’n krankzinnige hoeveelheid neerslag, dat heeft u nog nooit meegemaakt. Dat maal veertig etmalen zou 25 achtduizend millimeter zijn. Oftewel acht meter. Dan staat het water misschien tot bovenaan de ramen van deze prachtige zaal hier. Dat vindt zijn weg wel in zeeën en rivieren, dat zakt wel weg in het slijk der aarde. Veertig dagen en nachten regen is bij lange na niet voldoende voor een zondvloed.’

‘Dus aan de ene kant hebben de geschiedschrijvers Noach veel te veel jaren van leven 30 toegedicht, en tegelijkertijd comprimeerden ze de tijd die u nodig had om de zondvloed te bewerkstelligen tot een onrealistisch korte periode,’ resumeert De Haan.

‘Heel goed,’ zegt God. ‘Als we met de moderne tijd zouden rekenen, dan zou ik zelfs durven stellen dat het op z’n minst andersom was. Dat Noach die boot in veertig dagen in elkaar getimmerd heeft en dat het vervolgens honderdtwintig dagen onafgebroken heeft geregend. 35 Nogmaals, we kunnen de moderne tijd niet zomaar implementeren in een historische vertelling, maar u begrijpt mijn punt, nietwaar?’

De Haan knikt weer en gaat verzitten. Hij wordt ongeduldig.

‘Deze conclusie in uw achterhoofd houdend, vraag ik u om samen met mij wat afstand te nemen tot de huidige situatie,’ vervolgt God. ‘Visualiseer dat u met mij meegaat dit gebouw 40 uit. Ja, dat geldt voor u allemaal! Sluit uw ogen. Loop met me mee naar buiten. We stijgen op en bezien de aarde van een afstand. De bossen, de zeeën, het groen en het blauw. Waar we nu zijn bestaat de factor tijd niet. Er zijn geen dagen, geen nachten, geen maanden, geen jaren.’

Zonder uitzondering registreren we gesloten ogen. Zelfs De Haan doet mee, zij het met bozig samengeperste lippen. Verder zien we louter ontspannen gezichten. Alsof het publiek 45 werkelijk in een luchtbel boven de aarde zweeft.

‘Ziet u dat?’ vervolgt God. ‘De zeespiegel stijgt. Dat weet u al, want het is al jarenlang dagelijks in het nieuws, maar hiervandaan kunt u het met uw eigen ogen zien gebeuren. Steeds meer water, steeds minder land. Kijk bijvoorbeeld eens daar, links van u, naar die eilandengroep in de buurt van Australië. Die drieëndertig atollen. Zie u wel? Kiribati 2 heet 50 het. Daar wonen op dit moment mensen. Vaders, moeders, kinderen, grootouders, vrienden, vriendinnen, collega’s. Ziet u hoe ze verdwijnen, die bewoonde eilanden? Hoe ze worden verzwolgen door de zee? Blijf opletten nu, want straks is het te laat. Dan kunt u ze opeens niet meer aanwijzen. Alsof ze er nooit geweest zijn. De zee golft dan ongehinderd over de plek waar nu nog woningen staan. En scholen, ziekenhuizen en kerken. 55

Gebouwen waarin mensen zich veilig achten. Als we uw moderne kalender aanhouden dan zal dit proces over maximaal vijftig jaar voltooid zijn. Misschien al over dertig. Velen van u gaan het meemaken, ondanks uw beperkte levensduur. Dat is geen dreigement of een vervloeking mijnerzijds. Dit hebben wetenschappers, uw eigen aardse wetenschappers, becijferd. Het is een feit. Andere laaggelegen gebieden zullen volgen. Daarna hogere 60 contreien 3. En het wassende water stopt niet. Er zit geen rem op, er is geen maximum afgesproken met een of ander management.’

Hij is een bevlogen spreker. Hij had een hoop ellende kunnen voorkomen als hij bepaalde figuren uit de recente geschiedenis naar huis had gedebatteerd. Het publiek ziet er minder vredig uit dan zonet. 65

‘Kom,’ zegt God. ‘We gaan weer naar binnen. Doet u uw ogen weer open. Kijk, daar zijn we weer. Sorry als ik u heb laten schrikken, maar beelden zeggen meer dan woorden.’

[...]

‘Maar,’ begint De Haan. Hij ziet er ontdaan uit. ‘Begrijp ik u nu goed?’

God knikt, monter als een makelaar die zijn cliënt vertelt dat de koop rond is.

70 ‘U zegt in feite —’ weer maakt De Haan zijn zin niet af.

‘Exact,’ zegt God. ‘Mijn zeer concrete antwoord op uw vraag is: neen, u hoeft niet te vrezen voor een tweede zondvloed in de toekomst, want u zit er reeds middenin.’

bron: Bommer, Wanda: De Ark. Amsterdam: Uitgeverij Brandt 2020, p. 106 – 111

1 Genesis is het begin van de bijbel en bevat ook het verhaal van de zondvloed. De mensheid ontwikkelde zich van kwaad tot erger en God strafte ze door de vloed. Alleen Noach, zijn gezin en de dieren overleefden in de ark die hij bouwde.

2 Kiribati: zuidoostelijke van Azië gelegen eilandengroep, die nauwelijks twee meter boven zeeniveau ligt.

3 de contrei: landstreek, gebied

Opdracht: Schrijf een commentaar op het tekstfragment uit “De Ark” van Wanda Bommer.

•

Bediscussieer, uitgaand van je analyse en je voorkennis over klimaatverandering, of dit fragment geschikt is om op de geplande projectdag te worden opgevoerd. [14 Punkte]

Aufgabe HT 3 - Teilaufgabe 4: Sprachmittlung · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch

Situatie

Klimaat in de Klas is een initiatief van Fridays For Future Nederland dat op scholen aandacht vraagt voor de klimaatcrisis. Om een projectdag te openen voeren jonge acteurs een toneelscène op. Op de website vraagt de groep om reacties op een fragment uit “De Ark” van Wanda Bommer. Ook jij wilt iets doen en je beantwoordt dat verzoek.

Informatie over de schrijfster en de roman

In haar roman “De Ark” beschrijft Wanda Bommer (*1969) Leonoor Levie, een bekende Nederlandse schrijfster die op het cruiseschip “The Ark” een eigentijdse versie van het bijbelse Noach-verhaal schrijft. Terwijl zij aan boord is, laat God zich in Amsterdam zien. In dit fragment wordt God ten overstaan van een groot publiek door de journalist De Haan geïnterviewd. Leonoor Levie kijkt samen met andere passagiers naar de live-uitzending van dit gesprek.

Wanda Bommer: De Ark

‘Eerst zou ik graag van u horen of u hier bent om te vertellen dat ons een tweede zondvloed te wachten staat.’

God leunt achterover in zijn stoel, plaatst zijn vingertoppen tegen elkaar, beroert zijn lippen met zijn wijsvingers. Hij denkt na. Kennelijk weet hij niet op elk vraagstuk binnen een fractie 5 van een seconde het antwoord. Dan snuift hij lucht naar binnen en knikt alsof hij zojuist een beslissing heeft genomen.

‘Genesis 1 is een prachtig boek,’ begint hij. ‘En een leidraad voor eenieder die deugdzaam wil leven. [...]

Die brave Noach was vijfhonderd jaar oud toen ik hem vroeg een ark te bouwen, vervolgens 10 vervulde hij die taak in ongeveer honderdtwintig jaar, en na de zondvloed leefde hij nog eens driehonderdvijftig jaar. Telt u even mee. Tegenwoordig worden mensen ouder dan ooit, maar veel langer dan een eeuw houdt u het nog altijd niet uit. En vijfduizend jaar geleden zou Noach dan negenhonderdvijftig jaar oud geworden zijn? Iedereen met een beetje nuchter verstand begrijpt dat dit niet klopt,’

15 De Haan knikt.

‘Nadat Noach een volstrekt ongeloofwaardig lange periode aan de ark gebouwd had, zou ik het veertig dagen en nachten hebben laten regenen, waarop de ganse wereld onder water stond, tot het hoogste gebergte aan toe. U leeft zelf in een land waar het vaak regent. Misschien geen veertig etmalen achtereen, maar we kunnen stellen dat er hier gedurende bepaalde periodes 20 bijzonder veel neerslag valt. Desalniettemin zal u nooit bevreesd zijn dat de aarde zal verdrinken door een wolkbreuk. En terecht. Vijftig millimeter per dag ervaart u als zware regen. Per etmaal zou dat honderd millimeter zijn. Laten we dat verdubbelen, omwille van het maken van mijn punt. Tweehonderd millimeter per etmaal. Dat is zo’n krankzinnige hoeveelheid neerslag, dat heeft u nog nooit meegemaakt. Dat maal veertig etmalen zou 25 achtduizend millimeter zijn. Oftewel acht meter. Dan staat het water misschien tot bovenaan de ramen van deze prachtige zaal hier. Dat vindt zijn weg wel in zeeën en rivieren, dat zakt wel weg in het slijk der aarde. Veertig dagen en nachten regen is bij lange na niet voldoende voor een zondvloed.’

‘Dus aan de ene kant hebben de geschiedschrijvers Noach veel te veel jaren van leven 30 toegedicht, en tegelijkertijd comprimeerden ze de tijd die u nodig had om de zondvloed te bewerkstelligen tot een onrealistisch korte periode,’ resumeert De Haan.

‘Heel goed,’ zegt God. ‘Als we met de moderne tijd zouden rekenen, dan zou ik zelfs durven stellen dat het op z’n minst andersom was. Dat Noach die boot in veertig dagen in elkaar getimmerd heeft en dat het vervolgens honderdtwintig dagen onafgebroken heeft geregend. 35 Nogmaals, we kunnen de moderne tijd niet zomaar implementeren in een historische vertelling, maar u begrijpt mijn punt, nietwaar?’

De Haan knikt weer en gaat verzitten. Hij wordt ongeduldig.

‘Deze conclusie in uw achterhoofd houdend, vraag ik u om samen met mij wat afstand te nemen tot de huidige situatie,’ vervolgt God. ‘Visualiseer dat u met mij meegaat dit gebouw 40 uit. Ja, dat geldt voor u allemaal! Sluit uw ogen. Loop met me mee naar buiten. We stijgen op en bezien de aarde van een afstand. De bossen, de zeeën, het groen en het blauw. Waar we nu zijn bestaat de factor tijd niet. Er zijn geen dagen, geen nachten, geen maanden, geen jaren.’

Zonder uitzondering registreren we gesloten ogen. Zelfs De Haan doet mee, zij het met bozig samengeperste lippen. Verder zien we louter ontspannen gezichten. Alsof het publiek 45 werkelijk in een luchtbel boven de aarde zweeft.

‘Ziet u dat?’ vervolgt God. ‘De zeespiegel stijgt. Dat weet u al, want het is al jarenlang dagelijks in het nieuws, maar hiervandaan kunt u het met uw eigen ogen zien gebeuren. Steeds meer water, steeds minder land. Kijk bijvoorbeeld eens daar, links van u, naar die eilandengroep in de buurt van Australië. Die drieëndertig atollen. Zie u wel? Kiribati 2 heet 50 het. Daar wonen op dit moment mensen. Vaders, moeders, kinderen, grootouders, vrienden, vriendinnen, collega’s. Ziet u hoe ze verdwijnen, die bewoonde eilanden? Hoe ze worden verzwolgen door de zee? Blijf opletten nu, want straks is het te laat. Dan kunt u ze opeens niet meer aanwijzen. Alsof ze er nooit geweest zijn. De zee golft dan ongehinderd over de plek waar nu nog woningen staan. En scholen, ziekenhuizen en kerken. 55

Gebouwen waarin mensen zich veilig achten. Als we uw moderne kalender aanhouden dan zal dit proces over maximaal vijftig jaar voltooid zijn. Misschien al over dertig. Velen van u gaan het meemaken, ondanks uw beperkte levensduur. Dat is geen dreigement of een vervloeking mijnerzijds. Dit hebben wetenschappers, uw eigen aardse wetenschappers, becijferd. Het is een feit. Andere laaggelegen gebieden zullen volgen. Daarna hogere 60 contreien 3. En het wassende water stopt niet. Er zit geen rem op, er is geen maximum afgesproken met een of ander management.’

Hij is een bevlogen spreker. Hij had een hoop ellende kunnen voorkomen als hij bepaalde figuren uit de recente geschiedenis naar huis had gedebatteerd. Het publiek ziet er minder vredig uit dan zonet. 65

‘Kom,’ zegt God. ‘We gaan weer naar binnen. Doet u uw ogen weer open. Kijk, daar zijn we weer. Sorry als ik u heb laten schrikken, maar beelden zeggen meer dan woorden.’

[...]

‘Maar,’ begint De Haan. Hij ziet er ontdaan uit. ‘Begrijp ik u nu goed?’

God knikt, monter als een makelaar die zijn cliënt vertelt dat de koop rond is.

70 ‘U zegt in feite —’ weer maakt De Haan zijn zin niet af.

‘Exact,’ zegt God. ‘Mijn zeer concrete antwoord op uw vraag is: neen, u hoeft niet te vrezen voor een tweede zondvloed in de toekomst, want u zit er reeds middenin.’

bron: Bommer, Wanda: De Ark. Amsterdam: Uitgeverij Brandt 2020, p. 106 – 111

1 Genesis is het begin van de bijbel en bevat ook het verhaal van de zondvloed. De mensheid ontwikkelde zich van kwaad tot erger en God strafte ze door de vloed. Alleen Noach, zijn gezin en de dieren overleefden in de ark die hij bouwde.

2 Kiribati: zuidoostelijke van Azië gelegen eilandengroep, die nauwelijks twee meter boven zeeniveau ligt.

3 de contrei: landstreek, gebied

Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert

Tijdens de tweede projectdag van Klimaat in de Klas ga je jongeren vertellen hoe de Duitse media met de klimaatcrisis omgaan. Schrijf de tekst voor een spreekbeurt waarin je aan de hand van een interview uitlegt welke kritiek de klimaatactiviste Luisa Neubauer op de media uit en welke positieve ontwikkelingen zij signaleert. (18 Punkte)

Die Klimakrise als Audiogeschichte. Luisa Neubauer im Gespräch mit Stephan Karkowsky

Karkowsky: Sie sind seit sehr vielen Jahren engagiert, muss man sagen, und Sie haben eine Menge lernen müssen, auch was den Umgang mit Medien angeht. Von null auf heute in die Talkshows, das waren bestimmt nicht nur gute Erfahrungen. Was wollen Sie besser machen, wenn Sie nun selbst Menschen befragen in Ihrem Podcast?

Neubauer: Das ist ja eine schöne Frage. Mir geht es zunächst darum, dass ich mich noch mal ganz kritisch frage, wen ich einlade, wen ich hörbar mache. Das habe ich mir ganz groß auf die Fahne geschrieben oder ganz fest vorgenommen, dass vor allem Menschen zu hören sein sollen, die man vielleicht sonst nicht in solchen Formaten erwartet, dass es eben ein Mix ist von Menschen, die man gut kennt, zu denen man einen Bezug hat, und eben jenen, die niemals in so einem Podcast auftauchen würden, wahrscheinlich aber viel zu erzählen haben.

Abgesehen davon probiere ich, Menschen auch erzählen zu lassen. Es geht mir um Geschichten. Ich möchte Geschichten hören über die Klimakrise und über das Ende der Klimakrise, und Leute können wahnsinnig gut erzählen, wenn man sie lässt.

Karkowsky: Sie laden nur Gleichgesinnte ein, habe ich dem Trailer entnommen, also Menschen, die sich tatsächlich gegen die Klimakrise engagieren. Haben Sie denn den Eindruck, dass diese Menschen zu selten auftauchen in anderen Medien?

Neubauer: Das ist nicht ganz richtig. Ich habe mir jetzt per se nicht vorgenommen, Menschen einzuladen, die die Dringlichkeit der Klimakrise leugnen, diese in meinen Augen etwas merkwürdigen Pro-Contra-Formate, die gibt es ja wirklich reichlich, und das ist, glaube ich, woran es scheitert. Sondern was ich ja suche, ist der konstruktive Austausch.

Das heißt aber nicht, dass nur Menschen vorkommen, die jetzt schon total okkupiert sind. Im Gegenteil. Ein großes Problem, was ich sehe, ist, dass man so tut, als sei die Klimakrise ein Problem, das nur Aktivisten und Klimaforscher betrifft, und die können sich dann mal um ihr Problem kümmern. Das ist eine ganz merkwürdige Wahrnehmung, denn in einer kollektiven Krise sind wir natürlich alle betroffen und können ein Teil der Lösung werden.

[...]

Karkowsky: Sie selbst sind gerade sehr präsent in den Medien, das kann man als großen Erfolg Ihrer Arbeit ansehen. Man sieht Sie im Kinofilm „I Am Greta“, man sieht Sie in der 3Sat-Dokumentation „Luisa“, da geht es nur um Sie. Demnächst kommt ein HD-Film von Jim Rakete in die Kinos, auch da spielen Sie eine der Hauptrollen – mehr Imagefilm als Dokumentation, so habe ich das gesehen. Jetzt der Podcast „1,5 Grad“ – auch der hochprofessionell produziert auf einer weltweiten Plattform. Ich frage mal ganz naiv: Haben Sie nicht manchmal Angst, dass bei diesem hohen Grad an Professionalisierung die Seele der Klimabewegung etwas auf der Strecke bleiben könnte?

Neubauer: Glücklicherweise personifiziere ich ja nicht die Seele der Klimabewegung mit meiner Arbeit. Zum einen muss man feststellen, dass einfach sehr viele Dokumentarfilme jetzt im Herbst rauskommen. Da ist auch noch ein anderer Film über die Klimabewegung in Berlin, Fridays for Future in Berlin, der kommt in zwei Wochen raus.

Das häuft sich auf der einen Seite, auf der anderen Seite stellen wir aber auch fest, dass große Plattformen, große Institutionen anfangen, die Klimakrise ernst zu nehmen und in ihr Programm einzubauen. Das ist in meinen Augen ein wahnsinnig wichtiger Schritt, dass nämlich die Klimakrise eine Art Professionalisierung im Umgang erfährt, dass man es eben nicht mehr outsourct an Aktivisten, und der Rest muss sich nicht dafür interessieren, sondern dass tatsächlich die Klimakrise einzieht in den Mainstream.

Quelle: Karkowsky, Stephan: Die Klimakrise als Audiogeschichte. Luisa Neubauer im Gespräch mit Stephan Karkowsky. Deutschlandfunk Kultur, 10. November 2020 (Deutschlandfunk: überregionales Radioprogramm in Deutschland)

Du kannst auch nach Themen lernen

Übe ein Thema mit gemischten Aufgaben aus den Prüfungen aller Jahre.

Alle 5 Themen ansehen

Andere Prüfungen 2022

GK · Haupttermin · fortgeführt (2022) · GK · Haupttermin · neu einsetzend (2022) · GK · Haupttermin · neu einsetzend · Weiterbildungskolleg (2022)