Abitur NRW Niederländisch 2021 · GK · Haupttermin · fortgeführt
Abiturprüfung Niederländisch in Nordrhein-Westfalen 2021, GK · Haupttermin · fortgeführt: 12 Aufgaben mit Lösungen. Mit automatischer Korrektur.
Themen der Prüfung: Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor) · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen) · Analyse von Sachtexten, Karikaturen und Grafiken (standpunt en argumentatie) · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer) · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch
Aufgabe HT 1 - Deel A.1 - Inhoud weergeven · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)
Situatie
Op 10 april wordt overal ter wereld de Broer en Zus dag gevierd. De Euregio vraagt Nederlandse en Duitse scholieren een literaire avond met lezingen en gesprekken rond het thema familie op touw te zetten. Tijdens die avond wil men ervaren hoe de bijzondere band tussen broers en zussen, met zowel verbondenheid als conflicten, in de literatuur wordt neergezet. Om de avond voor te bereiden leest iedere deelnemer een romanfragment in de andere taal en beoordeelt of die tekst geschikt is voor de literaire avond. Jouw tekst is een romanfragment met de titel “Tussen zussen”.
Informatie over het boek en de schrijfster
Rita Spijker (*1957) is een Nederlandse schrijfster. In haar roman “Tussen zussen” vormen vier volwassen zussen om beurten het middelpunt. De drie jongere zussen Anne, Tessa en Marit hebben Gerard als vader. Renate, de oudste, heeft een andere vader. De scène hieronder vindt plaats in de tuin tijdens de verjaardag van hun moeder, waar ook hun partners en de kinderen van Marit bij zijn.
Rita Spijker: Tussen zussen
‘Zo. Ik wist niet dat onze Anne een vriend had.’ Hij kijkt van Richard naar mij.
Mama duwt hem zachtjes opzij en Richard feliciteert haar. Hij overhandigt de bloemen in
hun velletje van roze folie. Ze doet overdreven verrast en bedankt hem omstandig.
‘Is je oudste zus er al?’ Ze fluistert het dicht bij mijn gezicht. Ik zie plekjes aangekoekte
5 poeder in de rimpels rond haar ogen. Ze is ook bang, ik kan het ruiken. Is het de angst voor
een ontmoeting met haar oudste dochter? Voor een nieuwe confrontatie tussen Renate en
Gerard? Voor haar eigen onmacht?
‘Nee, zonet nog niet tenminste.’ Ik kijk rond naar Renate, zie haar nog steeds niet.
‘Heeft ze laten weten dat ze zou komen?’
10 ‘Ze heeft het Marit laten weten. Ik hoop zo dat ze komt.’
Mama ziet er ineens heel moe uit. Wat een gedoe, ik zou willen dat we allemaal konden
vergeven en vergeten. Ik pak haar hand en druk die even. Uit mijn ooghoek hoor ik papa.
Hij denkt dat ik hem niet kan verstaan. Hij buigt zich naar Richard toe.
‘Nou jongen, jij treft het maar. Zij heeft het beste van allemaal, dat heb jij heel goed gezien.’
15 Hij slaat Richard op de schouder en knipoogt.
‘Hé, kerel, daar zijn jullie, welkom in ons nederig stulpje 1, ha ha.’ Hij roept alweer tegen de
volgende gasten, draait zich van ons af om op nieuwe schouders te slaan.
Mama pakt me bij mijn bovenarm, ‘Trek je er niets van aan, kind. Je kent je vader.’ Ze laat
me los en draait haar hoofd glimlachend opzij. Dan gaat ze achter papa aan.
20 [...]
‘Allemaal komen voor de foto’s!’ Mama’s stem snerpt met gemak tot achter het hok waar
we zitten.
Ik sta op. ‘Helaas Richard, er is hier thuis een aantal verplichte nummers en daarvan is met
elkaar op de foto gaan er een. Nu gaat mijn vader heel dominant doen. Let maar op.’
25 Richard trekt me naar zich toe, zijn ogen zijn zo dichtbij dat ik de donkere vlekjes in de
irissen goed kan zien. ‘Luister eens, Anne, jij bent dan wel het kind van je ouders, maar je
bent ook een volwassen vrouw. Laat die vandaag maar aan ze zien.’ Hij kijkt serieus, kust
mijn wang, neemt me bij mijn hand en trekt me mee.
Ze poseren onder de luifel, het licht valt warm oranje op hen neer.
30 Tessa staat bleekjes tegen Alex aangeleund. Ik ga naar hen toe, haar hand is klam. Richard
begroet hen. Tessa kent hem uit het kunstenaarscircuit 2.
Hoeveel handen schud je op zo’n dag?
Er is een heuse fotograaf ingehuurd. Hij vraagt de jarige met haar echtgenoot tegen de
kastanjeboom te gaan staan. Daarna moeten ze op het terras plaatsnemen. Dan met de
35 broers en zussen erbij. Met aanhang en zonder. En dan nog met ons, de eigen kinderen. We
protesteren.
‘Renate is er toch nog niet?’
Papa haalt zijn schouders op en trekt ons naar zich toe. ‘Als je daarop moet wachten…
Kom meisjes, laat je van je mooiste kant zien.’
40 Ik sta tussen mama en Tessa. Richard heft zijn glas naar me. Drie klikken en de fotograaf is
klaar met ons.
‘Zo, vereeuwigd met mijn bloedeigen dochters. Prachtig.’ Papa wrijft zijn handen.
Daar staat Renate, met Chantal en Thomas. Haar mond is vertrokken in een woedende streep.
Papa’s woorden hangen zinderend in de warme lucht tussen ons.
45 Renate draait zich om. Mama ziet haar ook. Ze valt vel uit 3 tegen papa en rent met uitgestoken
handen op haar af. ‘Renate, lieverd, hij bedoelt het niet zo. Alsjeblieft, blijf. Ik vind het
juist zo fijn dat jullie er zijn.’
Ze staat voor haar oudste dochter en smeekt met haar stem, haar ogen en rest van haar
lichaam. ‘Alsjeblieft, Renate.’
50 Gelukkig, Renate laat zich meevoeren naar binnen. Ze verdwijnen in de bijkeuken. Thomas
en Chantal staan met neergeslagen ogen naast elkaar. Hun vingers verfrommelen de pakjes
met kleurige strikken die ze voor hun oma hebben meegenomen. Mijn hand klemt zich om
die van Richard. Ik zoek de ogen van mijn zussen, ze zien me niet. Marit heeft zich afgewend
naar Pelle. Tessa praat zacht tegen Alex.
55 De gasten zijn een kort ogenblik stil, dan verspreiden ze zich en hervatten hun gesprek. Papa
tapt een biertje. Zijn wangen zijn hoogrood. Hij vertelt een mop aan wie het maar wil horen.
De fotograaf loopt met grote snelle passen over het tuinpad naar zijn auto. Nu is het te laat
voor een compleet groepsportret.
Ik probeer me voor te stellen wat een volwassen reactie zou zijn. Ik heb geen flauw idee.
60 In de buurt van mijn vader ben ik als een vogel die tegen glas vliegt, verdoofd naar beneden
dondert en vleugellam naar een schuilplek onder de dichtstbijzijnde struik scharrelt.
1 ons nederig stulpje (schertsend): ons bescheiden huis
2 het kunstenaarscircuit: een kring van mensen die elkaar vaker tegenkomen op tentoonstellingen
3 vel uitvallen tegen iemand: zich driftig en heftig uiten tegen iemand
bron: Spijker, Rita: Tussen zussen. Baarn: Marmer, 10 e druk 2011 (1 e druk 2007), p. 198 – 201
Opdracht: Schrijf een verslag over het fragment dat afkomstig is uit de roman „Tussen zussen“ van Rita Spijker.
•
Geef weer in welke situatie de familieleden zich bevinden. [10 Punkte]
Aufgabe HT 1 - Deel A.2 - Literaire analyse · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen)
Situatie
Op 10 april wordt overal ter wereld de Broer en Zus dag gevierd. De Euregio vraagt Nederlandse en Duitse scholieren een literaire avond met lezingen en gesprekken rond het thema familie op touw te zetten. Tijdens die avond wil men ervaren hoe de bijzondere band tussen broers en zussen, met zowel verbondenheid als conflicten, in de literatuur wordt neergezet. Om de avond voor te bereiden leest iedere deelnemer een romanfragment in de andere taal en beoordeelt of die tekst geschikt is voor de literaire avond. Jouw tekst is een romanfragment met de titel “Tussen zussen”.
Informatie over het boek en de schrijfster
Rita Spijker (*1957) is een Nederlandse schrijfster. In haar roman “Tussen zussen” vormen vier volwassen zussen om beurten het middelpunt. De drie jongere zussen Anne, Tessa en Marit hebben Gerard als vader. Renate, de oudste, heeft een andere vader. De scène hieronder vindt plaats in de tuin tijdens de verjaardag van hun moeder, waar ook hun partners en de kinderen van Marit bij zijn.
Rita Spijker: Tussen zussen
‘Zo. Ik wist niet dat onze Anne een vriend had.’ Hij kijkt van Richard naar mij.
Mama duwt hem zachtjes opzij en Richard feliciteert haar. Hij overhandigt de bloemen in
hun velletje van roze folie. Ze doet overdreven verrast en bedankt hem omstandig.
‘Is je oudste zus er al?’ Ze fluistert het dicht bij mijn gezicht. Ik zie plekjes aangekoekte
5 poeder in de rimpels rond haar ogen. Ze is ook bang, ik kan het ruiken. Is het de angst voor
een ontmoeting met haar oudste dochter? Voor een nieuwe confrontatie tussen Renate en
Gerard? Voor haar eigen onmacht?
‘Nee, zonet nog niet tenminste.’ Ik kijk rond naar Renate, zie haar nog steeds niet.
‘Heeft ze laten weten dat ze zou komen?’
10 ‘Ze heeft het Marit laten weten. Ik hoop zo dat ze komt.’
Mama ziet er ineens heel moe uit. Wat een gedoe, ik zou willen dat we allemaal konden
vergeven en vergeten. Ik pak haar hand en druk die even. Uit mijn ooghoek hoor ik papa.
Hij denkt dat ik hem niet kan verstaan. Hij buigt zich naar Richard toe.
‘Nou jongen, jij treft het maar. Zij heeft het beste van allemaal, dat heb jij heel goed gezien.’
15 Hij slaat Richard op de schouder en knipoogt.
‘Hé, kerel, daar zijn jullie, welkom in ons nederig stulpje 1, ha ha.’ Hij roept alweer tegen de
volgende gasten, draait zich van ons af om op nieuwe schouders te slaan.
Mama pakt me bij mijn bovenarm, ‘Trek je er niets van aan, kind. Je kent je vader.’ Ze laat
me los en draait haar hoofd glimlachend opzij. Dan gaat ze achter papa aan.
20 [...]
‘Allemaal komen voor de foto’s!’ Mama’s stem snerpt met gemak tot achter het hok waar
we zitten.
Ik sta op. ‘Helaas Richard, er is hier thuis een aantal verplichte nummers en daarvan is met
elkaar op de foto gaan er een. Nu gaat mijn vader heel dominant doen. Let maar op.’
25 Richard trekt me naar zich toe, zijn ogen zijn zo dichtbij dat ik de donkere vlekjes in de
irissen goed kan zien. ‘Luister eens, Anne, jij bent dan wel het kind van je ouders, maar je
bent ook een volwassen vrouw. Laat die vandaag maar aan ze zien.’ Hij kijkt serieus, kust
mijn wang, neemt me bij mijn hand en trekt me mee.
Ze poseren onder de luifel, het licht valt warm oranje op hen neer.
30 Tessa staat bleekjes tegen Alex aangeleund. Ik ga naar hen toe, haar hand is klam. Richard
begroet hen. Tessa kent hem uit het kunstenaarscircuit 2.
Hoeveel handen schud je op zo’n dag?
Er is een heuse fotograaf ingehuurd. Hij vraagt de jarige met haar echtgenoot tegen de
kastanjeboom te gaan staan. Daarna moeten ze op het terras plaatsnemen. Dan met de
35 broers en zussen erbij. Met aanhang en zonder. En dan nog met ons, de eigen kinderen. We
protesteren.
‘Renate is er toch nog niet?’
Papa haalt zijn schouders op en trekt ons naar zich toe. ‘Als je daarop moet wachten…
Kom meisjes, laat je van je mooiste kant zien.’
40 Ik sta tussen mama en Tessa. Richard heft zijn glas naar me. Drie klikken en de fotograaf is
klaar met ons.
‘Zo, vereeuwigd met mijn bloedeigen dochters. Prachtig.’ Papa wrijft zijn handen.
Daar staat Renate, met Chantal en Thomas. Haar mond is vertrokken in een woedende streep.
Papa’s woorden hangen zinderend in de warme lucht tussen ons.
45 Renate draait zich om. Mama ziet haar ook. Ze valt vel uit 3 tegen papa en rent met uitgestoken
handen op haar af. ‘Renate, lieverd, hij bedoelt het niet zo. Alsjeblieft, blijf. Ik vind het
juist zo fijn dat jullie er zijn.’
Ze staat voor haar oudste dochter en smeekt met haar stem, haar ogen en rest van haar
lichaam. ‘Alsjeblieft, Renate.’
50 Gelukkig, Renate laat zich meevoeren naar binnen. Ze verdwijnen in de bijkeuken. Thomas
en Chantal staan met neergeslagen ogen naast elkaar. Hun vingers verfrommelen de pakjes
met kleurige strikken die ze voor hun oma hebben meegenomen. Mijn hand klemt zich om
die van Richard. Ik zoek de ogen van mijn zussen, ze zien me niet. Marit heeft zich afgewend
naar Pelle. Tessa praat zacht tegen Alex.
55 De gasten zijn een kort ogenblik stil, dan verspreiden ze zich en hervatten hun gesprek. Papa
tapt een biertje. Zijn wangen zijn hoogrood. Hij vertelt een mop aan wie het maar wil horen.
De fotograaf loopt met grote snelle passen over het tuinpad naar zijn auto. Nu is het te laat
voor een compleet groepsportret.
Ik probeer me voor te stellen wat een volwassen reactie zou zijn. Ik heb geen flauw idee.
60 In de buurt van mijn vader ben ik als een vogel die tegen glas vliegt, verdoofd naar beneden
dondert en vleugellam naar een schuilplek onder de dichtstbijzijnde struik scharrelt.
1 ons nederig stulpje (schertsend): ons bescheiden huis
2 het kunstenaarscircuit: een kring van mensen die elkaar vaker tegenkomen op tentoonstellingen
3 vel uitvallen tegen iemand: zich driftig en heftig uiten tegen iemand
bron: Spijker, Rita: Tussen zussen. Baarn: Marmer, 10 e druk 2011 (1 e druk 2007), p. 198 – 201
Opdracht: Stel een verslag op over het fragment uit de roman „Tussen zussen“ van Rita Spijker.
•
Analyseer op welke manier de ouders en de zussen, met name Anne en Renate, zich in dit fragment gedragen. Besteed daarbij aandacht aan literaire middelen. [20 Punkte]
Aufgabe HT 1 - Deel A.3 - Beoordeling · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)
Situatie
Op 10 april wordt overal ter wereld de Broer en Zus dag gevierd. De Euregio vraagt Nederlandse en Duitse scholieren een literaire avond met lezingen en gesprekken rond het thema familie op touw te zetten. Tijdens die avond wil men ervaren hoe de bijzondere band tussen broers en zussen, met zowel verbondenheid als conflicten, in de literatuur wordt neergezet. Om de avond voor te bereiden leest iedere deelnemer een romanfragment in de andere taal en beoordeelt of die tekst geschikt is voor de literaire avond. Jouw tekst is een romanfragment met de titel “Tussen zussen”.
Informatie over het boek en de schrijfster
Rita Spijker (*1957) is een Nederlandse schrijfster. In haar roman “Tussen zussen” vormen vier volwassen zussen om beurten het middelpunt. De drie jongere zussen Anne, Tessa en Marit hebben Gerard als vader. Renate, de oudste, heeft een andere vader. De scène hieronder vindt plaats in de tuin tijdens de verjaardag van hun moeder, waar ook hun partners en de kinderen van Marit bij zijn.
Rita Spijker: Tussen zussen
‘Zo. Ik wist niet dat onze Anne een vriend had.’ Hij kijkt van Richard naar mij.
Mama duwt hem zachtjes opzij en Richard feliciteert haar. Hij overhandigt de bloemen in
hun velletje van roze folie. Ze doet overdreven verrast en bedankt hem omstandig.
‘Is je oudste zus er al?’ Ze fluistert het dicht bij mijn gezicht. Ik zie plekjes aangekoekte
5 poeder in de rimpels rond haar ogen. Ze is ook bang, ik kan het ruiken. Is het de angst voor
een ontmoeting met haar oudste dochter? Voor een nieuwe confrontatie tussen Renate en
Gerard? Voor haar eigen onmacht?
‘Nee, zonet nog niet tenminste.’ Ik kijk rond naar Renate, zie haar nog steeds niet.
‘Heeft ze laten weten dat ze zou komen?’
10 ‘Ze heeft het Marit laten weten. Ik hoop zo dat ze komt.’
Mama ziet er ineens heel moe uit. Wat een gedoe, ik zou willen dat we allemaal konden
vergeven en vergeten. Ik pak haar hand en druk die even. Uit mijn ooghoek hoor ik papa.
Hij denkt dat ik hem niet kan verstaan. Hij buigt zich naar Richard toe.
‘Nou jongen, jij treft het maar. Zij heeft het beste van allemaal, dat heb jij heel goed gezien.’
15 Hij slaat Richard op de schouder en knipoogt.
‘Hé, kerel, daar zijn jullie, welkom in ons nederig stulpje 1, ha ha.’ Hij roept alweer tegen de
volgende gasten, draait zich van ons af om op nieuwe schouders te slaan.
Mama pakt me bij mijn bovenarm, ‘Trek je er niets van aan, kind. Je kent je vader.’ Ze laat
me los en draait haar hoofd glimlachend opzij. Dan gaat ze achter papa aan.
20 [...]
‘Allemaal komen voor de foto’s!’ Mama’s stem snerpt met gemak tot achter het hok waar
we zitten.
Ik sta op. ‘Helaas Richard, er is hier thuis een aantal verplichte nummers en daarvan is met
elkaar op de foto gaan er een. Nu gaat mijn vader heel dominant doen. Let maar op.’
25 Richard trekt me naar zich toe, zijn ogen zijn zo dichtbij dat ik de donkere vlekjes in de
irissen goed kan zien. ‘Luister eens, Anne, jij bent dan wel het kind van je ouders, maar je
bent ook een volwassen vrouw. Laat die vandaag maar aan ze zien.’ Hij kijkt serieus, kust
mijn wang, neemt me bij mijn hand en trekt me mee.
Ze poseren onder de luifel, het licht valt warm oranje op hen neer.
30 Tessa staat bleekjes tegen Alex aangeleund. Ik ga naar hen toe, haar hand is klam. Richard
begroet hen. Tessa kent hem uit het kunstenaarscircuit 2.
Hoeveel handen schud je op zo’n dag?
Er is een heuse fotograaf ingehuurd. Hij vraagt de jarige met haar echtgenoot tegen de
kastanjeboom te gaan staan. Daarna moeten ze op het terras plaatsnemen. Dan met de
35 broers en zussen erbij. Met aanhang en zonder. En dan nog met ons, de eigen kinderen. We
protesteren.
‘Renate is er toch nog niet?’
Papa haalt zijn schouders op en trekt ons naar zich toe. ‘Als je daarop moet wachten…
Kom meisjes, laat je van je mooiste kant zien.’
40 Ik sta tussen mama en Tessa. Richard heft zijn glas naar me. Drie klikken en de fotograaf is
klaar met ons.
‘Zo, vereeuwigd met mijn bloedeigen dochters. Prachtig.’ Papa wrijft zijn handen.
Daar staat Renate, met Chantal en Thomas. Haar mond is vertrokken in een woedende streep.
Papa’s woorden hangen zinderend in de warme lucht tussen ons.
45 Renate draait zich om. Mama ziet haar ook. Ze valt vel uit 3 tegen papa en rent met uitgestoken
handen op haar af. ‘Renate, lieverd, hij bedoelt het niet zo. Alsjeblieft, blijf. Ik vind het
juist zo fijn dat jullie er zijn.’
Ze staat voor haar oudste dochter en smeekt met haar stem, haar ogen en rest van haar
lichaam. ‘Alsjeblieft, Renate.’
50 Gelukkig, Renate laat zich meevoeren naar binnen. Ze verdwijnen in de bijkeuken. Thomas
en Chantal staan met neergeslagen ogen naast elkaar. Hun vingers verfrommelen de pakjes
met kleurige strikken die ze voor hun oma hebben meegenomen. Mijn hand klemt zich om
die van Richard. Ik zoek de ogen van mijn zussen, ze zien me niet. Marit heeft zich afgewend
naar Pelle. Tessa praat zacht tegen Alex.
55 De gasten zijn een kort ogenblik stil, dan verspreiden ze zich en hervatten hun gesprek. Papa
tapt een biertje. Zijn wangen zijn hoogrood. Hij vertelt een mop aan wie het maar wil horen.
De fotograaf loopt met grote snelle passen over het tuinpad naar zijn auto. Nu is het te laat
voor een compleet groepsportret.
Ik probeer me voor te stellen wat een volwassen reactie zou zijn. Ik heb geen flauw idee.
60 In de buurt van mijn vader ben ik als een vogel die tegen glas vliegt, verdoofd naar beneden
dondert en vleugellam naar een schuilplek onder de dichtstbijzijnde struik scharrelt.
1 ons nederig stulpje (schertsend): ons bescheiden huis
2 het kunstenaarscircuit: een kring van mensen die elkaar vaker tegenkomen op tentoonstellingen
3 vel uitvallen tegen iemand: zich driftig en heftig uiten tegen iemand
bron: Spijker, Rita: Tussen zussen. Baarn: Marmer, 10 e druk 2011 (1 e druk 2007), p. 198 – 201
Opdracht: Stel een verslag op over het fragment uit de roman „Tussen zussen“ van Rita Spijker.
•
Beoordeel aan de hand van je analyse en je kennis van het thema familie of in deze scène een typisch familieconflict wordt getoond en of het romanfragment zich leent voor de literaire avond. [12 Punkte]
Aufgabe HT 1 - Deel B - Taalverwerving · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch
Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert
Op de l'aire avond heb je met Sanne gepraat. Zij is 35 jaar en wil graag weten of jongeren nu andere dingen belangrijk vinden dan vroeger. Eenmaal terug in Duitsland stuit je op een artikel over een onderzoek. Je schrijft een brief aan Sanne waarin je haar uitlegt welke veranderingen er volgens dit onderzoek zijn opgetreden in de waarden van jongeren.
Situatie
Op 10 april wordt overal ter wereld de Broer en Zus dag gevierd. De Euregio vraagt Nederlandse en Duitse scholieren een literaire avond met lezingen en gesprekken rond het thema familie op touw te zetten. Tijdens die avond wil men ervaren hoe de bijzondere band tussen broers en zussen, met zowel verbondenheid als conflicten, in de literatuur wordt neergezet. Om de avond voor te bereiden leest iedere deelnemer een romanfragment in de andere taal en beoordeelt of die tekst geschikt is voor de literaire avond. Jouw tekst is een romanfragment met de titel “Tussen zussen”.
Informatie over het boek en de schrijfster
Rita Spijker (*1957) is een Nederlandse schrijfster. In haar roman “Tussen zussen” vormen vier volwassen zussen om beurten het middelpunt. De drie jongere zussen Anne, Tessa en Marit hebben Gerard als vader. Renate, de oudste, heeft een andere vader. De scène hieronder vindt plaats in de tuin tijdens de verjaardag van hun moeder, waar ook hun partners en de kinderen van Marit bij zijn.
Rita Spijker: Tussen zussen
‘Zo. Ik wist niet dat onze Anne een vriend had.’ Hij kijkt van Richard naar mij.
Mama duwt hem zachtjes opzij en Richard feliciteert haar. Hij overhandigt de bloemen in
hun velletje van roze folie. Ze doet overdreven verrast en bedankt hem omstandig.
‘Is je oudste zus er al?’ Ze fluistert het dicht bij mijn gezicht. Ik zie plekjes aangekoekte
5 poeder in de rimpels rond haar ogen. Ze is ook bang, ik kan het ruiken. Is het de angst voor
een ontmoeting met haar oudste dochter? Voor een nieuwe confrontatie tussen Renate en
Gerard? Voor haar eigen onmacht?
‘Nee, zonet nog niet tenminste.’ Ik kijk rond naar Renate, zie haar nog steeds niet.
‘Heeft ze laten weten dat ze zou komen?’
10 ‘Ze heeft het Marit laten weten. Ik hoop zo dat ze komt.’
Mama ziet er ineens heel moe uit. Wat een gedoe, ik zou willen dat we allemaal konden
vergeven en vergeten. Ik pak haar hand en druk die even. Uit mijn ooghoek hoor ik papa.
Hij denkt dat ik hem niet kan verstaan. Hij buigt zich naar Richard toe.
‘Nou jongen, jij treft het maar. Zij heeft het beste van allemaal, dat heb jij heel goed gezien.’
15 Hij slaat Richard op de schouder en knipoogt.
‘Hé, kerel, daar zijn jullie, welkom in ons nederig stulpje 1, ha ha.’ Hij roept alweer tegen de
volgende gasten, draait zich van ons af om op nieuwe schouders te slaan.
Mama pakt me bij mijn bovenarm, ‘Trek je er niets van aan, kind. Je kent je vader.’ Ze laat
me los en draait haar hoofd glimlachend opzij. Dan gaat ze achter papa aan.
20 [...]
‘Allemaal komen voor de foto’s!’ Mama’s stem snerpt met gemak tot achter het hok waar
we zitten.
Ik sta op. ‘Helaas Richard, er is hier thuis een aantal verplichte nummers en daarvan is met
elkaar op de foto gaan er een. Nu gaat mijn vader heel dominant doen. Let maar op.’
25 Richard trekt me naar zich toe, zijn ogen zijn zo dichtbij dat ik de donkere vlekjes in de
irissen goed kan zien. ‘Luister eens, Anne, jij bent dan wel het kind van je ouders, maar je
bent ook een volwassen vrouw. Laat die vandaag maar aan ze zien.’ Hij kijkt serieus, kust
mijn wang, neemt me bij mijn hand en trekt me mee.
Ze poseren onder de luifel, het licht valt warm oranje op hen neer.
30 Tessa staat bleekjes tegen Alex aangeleund. Ik ga naar hen toe, haar hand is klam. Richard
begroet hen. Tessa kent hem uit het kunstenaarscircuit 2.
Hoeveel handen schud je op zo’n dag?
Er is een heuse fotograaf ingehuurd. Hij vraagt de jarige met haar echtgenoot tegen de
kastanjeboom te gaan staan. Daarna moeten ze op het terras plaatsnemen. Dan met de
35 broers en zussen erbij. Met aanhang en zonder. En dan nog met ons, de eigen kinderen. We
protesteren.
‘Renate is er toch nog niet?’
Papa haalt zijn schouders op en trekt ons naar zich toe. ‘Als je daarop moet wachten…
Kom meisjes, laat je van je mooiste kant zien.’
40 Ik sta tussen mama en Tessa. Richard heft zijn glas naar me. Drie klikken en de fotograaf is
klaar met ons.
‘Zo, vereeuwigd met mijn bloedeigen dochters. Prachtig.’ Papa wrijft zijn handen.
Daar staat Renate, met Chantal en Thomas. Haar mond is vertrokken in een woedende streep.
Papa’s woorden hangen zinderend in de warme lucht tussen ons.
45 Renate draait zich om. Mama ziet haar ook. Ze valt vel uit 3 tegen papa en rent met uitgestoken
handen op haar af. ‘Renate, lieverd, hij bedoelt het niet zo. Alsjeblieft, blijf. Ik vind het
juist zo fijn dat jullie er zijn.’
Ze staat voor haar oudste dochter en smeekt met haar stem, haar ogen en rest van haar
lichaam. ‘Alsjeblieft, Renate.’
50 Gelukkig, Renate laat zich meevoeren naar binnen. Ze verdwijnen in de bijkeuken. Thomas
en Chantal staan met neergeslagen ogen naast elkaar. Hun vingers verfrommelen de pakjes
met kleurige strikken die ze voor hun oma hebben meegenomen. Mijn hand klemt zich om
die van Richard. Ik zoek de ogen van mijn zussen, ze zien me niet. Marit heeft zich afgewend
naar Pelle. Tessa praat zacht tegen Alex.
55 De gasten zijn een kort ogenblik stil, dan verspreiden ze zich en hervatten hun gesprek. Papa
tapt een biertje. Zijn wangen zijn hoogrood. Hij vertelt een mop aan wie het maar wil horen.
De fotograaf loopt met grote snelle passen over het tuinpad naar zijn auto. Nu is het te laat
voor een compleet groepsportret.
Ik probeer me voor te stellen wat een volwassen reactie zou zijn. Ik heb geen flauw idee.
60 In de buurt van mijn vader ben ik als een vogel die tegen glas vliegt, verdoofd naar beneden
dondert en vleugellam naar een schuilplek onder de dichtstbijzijnde struik scharrelt.
1 ons nederig stulpje (schertsend): ons bescheiden huis
2 het kunstenaarscircuit: een kring van mensen die elkaar vaker tegenkomen op tentoonstellingen
3 vel uitvallen tegen iemand: zich driftig en heftig uiten tegen iemand
bron: Spijker, Rita: Tussen zussen. Baarn: Marmer, 10 e druk 2011 (1 e druk 2007), p. 198 – 201
Aufgabe HT 2 - Deel A.1 - Inhoud weergeven · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je mee aan een zomercursus van het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag, getiteld “Discriminerend versus politiek correct taalgebruik – hoe zeg je het goed in een postkoloniale samenleving?”. Om een bredere kijk te krijgen, zijn er ook jongeren uit andere landen uitgenodigd.
De organisatoren stellen een reader samen met informatieve en motiverende teksten voor gebruik in de cursus. Daarom is aan alle deelnemers gevraagd om vooraf één mogelijk geschikt stuk materiaal te onderzoeken en te beoordelen. Jouw opdracht betreft een tekst van Lara Nuberg.
Informatie over de schrijver en de tekst
Lara Nuberg (*1990, Amsterdam) is historica en schrijft sinds oktober 2017 de blog “Gewoon een Indisch meisje”. Ze thematiseert in haar teksten problemen en kansen van haar Indisch-zijn binnen de Nederlandse samenleving.
Lara Nuberg: To Pinda 1 or not to Pinda – That’s the question 2
‘Vuile pinda-poep-mevrouw!’ Dat is wat de kinderen in de jaren zestig riepen naar mijn oma in de straten van Amsterdam Bos en Lommer 3. Mijn moeder was nog een kleuter, hield stevig de hand vast van de vrouw wiens huidskleur 4 ook zij had geërfd en perste haar lippen in een gevecht tegen de tranen stevig op elkaar. Ze huilde niet op straat, dat bewaarde ze [5] voor thuis, achter een gesloten buitendeur. ‘Ze mogen je niet zo noemen!’ snikte ze telkens zodra ze binnen kwamen. Mijn oma lachte steevast en drukte haar dochter dicht tegen zich aan. ‘Trek je er niks van aan,’ zei ze. ‘Dit zijn gewoon hele domme kinderen. Wij staan daar boven.’
Toen ik klein was vertelde mijn moeder dit verhaal regelmatig. Net als dat ze bij de slager [10] als kind vaak een plakje worst kreeg aangeboden met de vraag of ze soms teveel dropjes had gegeten of haar ogen niet had gewassen – ze waren immers zo zwart. ‘Ik antwoordde nooit,’ vertelde mijn moeder altijd. ‘Ik was zo verlegen. Ik keek die slager waarschijnlijk nogal verbaasd aan en kroop achter mijn moeders benen. De mensen toen waren niks gewend.’ Ook wij lachten er vervolgens om, om datgene wat inmiddels een anekdote was geworden. Wat [15] een sukkels, die Nederlanders.
Vijftig jaar nadat de woorden vuil, pinda en poep als een vanzelfsprekend trio door de straten van Nederland galmden en twintig jaar nadat ze klonken aan de rand van mijn bed als verhaaltje voor het slapen gaan of in de auto als verhaaltje voor onderweg, is daar nu het eenmalige magazine PINDA 5. De titel kwam nota bene 6 tot stand in een Indische herenclub, [20] waar ook mijn oom in zat – de zoon van de vuile pinda-poep-mevrouw.
Toen ik gevraagd werd om een aantal artikelen voor het blad te schrijven, hoefde ik daar niet eens over na te denken. Natúúrlijk, grappig zo’n woordspeling op LINDA 7, was mijn eerste gedachte. Zonder dat ik erbij stil stond was het racisme en het overlevingsmechanisme uit de jaren vijftig en zestig verworden tot een echte grap. Een woord met een knipoog, een [25] woord waar we luchtig over lachen. Een woord dat we zelfs af en toe zelf gebruiken – naar elkaar, naar schattige Indische kindjes. ‘Ben ik ook een pinda?’ vroeg mijn broertje ooit omdat hij minder donker is dan ik. ‘Natuurlijk,’ zei mijn moeder. ‘Als Lara dat is, dan ben jij dat ook.’ Hij was opgelucht, opgelucht omdat hij erbij hoorde – bij de familie.
Pas toen het blad aangekondigd werd op Facebook, werd ik dankzij verschillende reacties [30] weer geconfronteerd met de negatieve gevoelens en herinneringen die het woord ‘pinda’ bij velen nog altijd oproept. Plotseling was daar ook dat trio weer – vuil, pinda, poep – het beeld van mijn verlegen moeder als kleuter achter de benen van mijn oma, de tranen waarvan je als kind niet weet dat ze voortkomen uit macht versus onmacht, van meerderheid versus minderheid; uit het feit dat terug schelden met ‘bleekscheet’ of ‘kaaskop’ uiteindelijk nooit [35] hetzelfde effect heeft.
Hoeveel witte kinderen zullen hun tranen hebben moeten inhouden omdat hun moeder of zijzelf voor bleekscheet 8 werden uitgemaakt door een groepje Indische kinderen op straat?
Nu het magazine verschijnt en het woord PINDA in hoofdletters boven een groep bruine mensen op de cover prijkt, als een stempel, als een label, als een scheldwoord, als een [40] geuzennaam 9, als een koosnaam, voel ik me er toch wat anders bij dan een paar maanden geleden. Pinda is voor mensen met een achtergrond in voormalig Nederlands-Indië een woord met een lading; een woord waarvan we de geschiedenis niet mogen weglachen, alleen al omdat de echo ervan nog altijd doorklinkt in het onbegrip, de onwetendheid en de stilte in onze geschiedenisboeken.
[45] Ongeacht hoe je het woord als Indische Nederlander zelf gebruikt achter die befaamde gesloten buitendeur, vraag ik me nu af of het een handige titel is voor een blad. Prikkelend 10 is het in ieder geval wel – NRC 11 heeft er al aandacht aan besteed, BNN-VARA 12 belde me – en nu er geen weg meer terug is kan iedereen die eraan heeft meegewerkt er maar beter het beste van maken: Als een kickstarter om te praten over de geschiedenis van die bruine [50] mensen die ‘tenminste tegen een grapje kunnen.’
Er wordt weleens gezegd dat zelfspot het schild is waarmee je jezelf kan beschermen tegen racisme. Hoewel ik het daar niet mee eens ben – de enige bescherming tegen racisme is volgens mij het uitbannen ervan – ga ik met Pinda die zelfspot toch nog één keer gebruiken. Als wapen. Als doodsteek 13 van de onwetendheid die nog altijd de kop op steekt als het gaat [55] om de geschiedenis van Nederland in Indonesië.
Noem het naïef, maar ik hoop toch dat het lukt.
bron: Nuberg, Lara: To pinda or not to Pinda – That’s the question. Gewoon een Indisch meisje, 18 september 2019 ( Gewoon een Indisch meisje: een Nederlandstalige blog)
1 de pinda: nootje; belangrijk agrarisch product uit de koloniale tijd
2 To Pinda or not to Pinda – That’s the question: toespeling op “To be, or not to be, that is the question” in William Shakespeares toneelstuk “Hamlet”
3 Bos en Lommer: stadsdeel van Amsterdam
4 wiens huidskleur: van wie de huidskleur
5 PINDA: een magazine ván en óver Nederlanders met een Indische achtergrond. De titel werd vanaf de tweede uitgave gewijzigd naar PINDAH. Dit woord betekent in het Indonesisch onder meer „verhuizing“.
6 nota bene: let wel!
7 LINDA is een in 2003 opgericht vrouwentijdschrift rondom (en in nauwe samenwerking met) tv-persoonlijkheid Linda de Mol.
8 de bleekscheet: scheldwoord voor mensen met een blanke huidskleur
9 de geuzennaam: taalwetenschappelijke term voor een scheldwoord dat de beledigde als erenaam is gaan gebruiken
10 prikkelend: irriterend
11 NRC: landelijke Nederlandse krant
12 BNN-VARA: Nederlandse televisiezender
13 de doodsteek geven (uitdrukking): een vernietigende slag toebrengen
Opdracht (Teilaufgabe 1): Noem beknopt het onderwerp van de tekst. [10 Punkte]
Geef in het Nederlands een korte samenvatting van de tekst (thema en belangrijkste punten).
Aufgabe HT 2 - Deel A.2 - Analyse van een zakelijke tekst · Analyse von Sachtexten, Karikaturen und Grafiken (standpunt en argumentatie)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je mee aan een zomercursus van het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag, getiteld “Discriminerend versus politiek correct taalgebruik – hoe zeg je het goed in een postkoloniale samenleving?”. Om een bredere kijk te krijgen, zijn er ook jongeren uit andere landen uitgenodigd.
De organisatoren stellen een reader samen met informatieve en motiverende teksten voor gebruik in de cursus. Daarom is aan alle deelnemers gevraagd om vooraf één mogelijk geschikt stuk materiaal te onderzoeken en te beoordelen. Jouw opdracht betreft een tekst van Lara Nuberg.
Informatie over de schrijver en de tekst
Lara Nuberg (*1990, Amsterdam) is historica en schrijft sinds oktober 2017 de blog “Gewoon een Indisch meisje”. Ze thematiseert in haar teksten problemen en kansen van haar Indisch-zijn binnen de Nederlandse samenleving.
Lara Nuberg: To Pinda 1 or not to Pinda – That’s the question 2
‘Vuile pinda-poep-mevrouw!’ Dat is wat de kinderen in de jaren zestig riepen naar mijn oma in de straten van Amsterdam Bos en Lommer 3. Mijn moeder was nog een kleuter, hield stevig de hand vast van de vrouw wiens huidskleur 4 ook zij had geërfd en perste haar lippen in een gevecht tegen de tranen stevig op elkaar. Ze huilde niet op straat, dat bewaarde ze [5] voor thuis, achter een gesloten buitendeur. ‘Ze mogen je niet zo noemen!’ snikte ze telkens zodra ze binnen kwamen. Mijn oma lachte steevast en drukte haar dochter dicht tegen zich aan. ‘Trek je er niks van aan,’ zei ze. ‘Dit zijn gewoon hele domme kinderen. Wij staan daar boven.’
Toen ik klein was vertelde mijn moeder dit verhaal regelmatig. Net als dat ze bij de slager [10] als kind vaak een plakje worst kreeg aangeboden met de vraag of ze soms teveel dropjes had gegeten of haar ogen niet had gewassen – ze waren immers zo zwart. ‘Ik antwoordde nooit,’ vertelde mijn moeder altijd. ‘Ik was zo verlegen. Ik keek die slager waarschijnlijk nogal verbaasd aan en kroop achter mijn moeders benen. De mensen toen waren niks gewend.’ Ook wij lachten er vervolgens om, om datgene wat inmiddels een anekdote was geworden. Wat [15] een sukkels, die Nederlanders.
Vijftig jaar nadat de woorden vuil, pinda en poep als een vanzelfsprekend trio door de straten van Nederland galmden en twintig jaar nadat ze klonken aan de rand van mijn bed als verhaaltje voor het slapen gaan of in de auto als verhaaltje voor onderweg, is daar nu het eenmalige magazine PINDA 5. De titel kwam nota bene 6 tot stand in een Indische herenclub, [20] waar ook mijn oom in zat – de zoon van de vuile pinda-poep-mevrouw.
Toen ik gevraagd werd om een aantal artikelen voor het blad te schrijven, hoefde ik daar niet eens over na te denken. Natúúrlijk, grappig zo’n woordspeling op LINDA 7, was mijn eerste gedachte. Zonder dat ik erbij stil stond was het racisme en het overlevingsmechanisme uit de jaren vijftig en zestig verworden tot een echte grap. Een woord met een knipoog, een [25] woord waar we luchtig over lachen. Een woord dat we zelfs af en toe zelf gebruiken – naar elkaar, naar schattige Indische kindjes. ‘Ben ik ook een pinda?’ vroeg mijn broertje ooit omdat hij minder donker is dan ik. ‘Natuurlijk,’ zei mijn moeder. ‘Als Lara dat is, dan ben jij dat ook.’ Hij was opgelucht, opgelucht omdat hij erbij hoorde – bij de familie.
Pas toen het blad aangekondigd werd op Facebook, werd ik dankzij verschillende reacties [30] weer geconfronteerd met de negatieve gevoelens en herinneringen die het woord ‘pinda’ bij velen nog altijd oproept. Plotseling was daar ook dat trio weer – vuil, pinda, poep – het beeld van mijn verlegen moeder als kleuter achter de benen van mijn oma, de tranen waarvan je als kind niet weet dat ze voortkomen uit macht versus onmacht, van meerderheid versus minderheid; uit het feit dat terug schelden met ‘bleekscheet’ of ‘kaaskop’ uiteindelijk nooit [35] hetzelfde effect heeft.
Hoeveel witte kinderen zullen hun tranen hebben moeten inhouden omdat hun moeder of zijzelf voor bleekscheet 8 werden uitgemaakt door een groepje Indische kinderen op straat?
Nu het magazine verschijnt en het woord PINDA in hoofdletters boven een groep bruine mensen op de cover prijkt, als een stempel, als een label, als een scheldwoord, als een [40] geuzennaam 9, als een koosnaam, voel ik me er toch wat anders bij dan een paar maanden geleden. Pinda is voor mensen met een achtergrond in voormalig Nederlands-Indië een woord met een lading; een woord waarvan we de geschiedenis niet mogen weglachen, alleen al omdat de echo ervan nog altijd doorklinkt in het onbegrip, de onwetendheid en de stilte in onze geschiedenisboeken.
[45] Ongeacht hoe je het woord als Indische Nederlander zelf gebruikt achter die befaamde gesloten buitendeur, vraag ik me nu af of het een handige titel is voor een blad. Prikkelend 10 is het in ieder geval wel – NRC 11 heeft er al aandacht aan besteed, BNN-VARA 12 belde me – en nu er geen weg meer terug is kan iedereen die eraan heeft meegewerkt er maar beter het beste van maken: Als een kickstarter om te praten over de geschiedenis van die bruine [50] mensen die ‘tenminste tegen een grapje kunnen.’
Er wordt weleens gezegd dat zelfspot het schild is waarmee je jezelf kan beschermen tegen racisme. Hoewel ik het daar niet mee eens ben – de enige bescherming tegen racisme is volgens mij het uitbannen ervan – ga ik met Pinda die zelfspot toch nog één keer gebruiken. Als wapen. Als doodsteek 13 van de onwetendheid die nog altijd de kop op steekt als het gaat [55] om de geschiedenis van Nederland in Indonesië.
Noem het naïef, maar ik hoop toch dat het lukt.
bron: Nuberg, Lara: To pinda or not to Pinda – That’s the question. Gewoon een Indisch meisje, 18 september 2019 ( Gewoon een Indisch meisje: een Nederlandstalige blog)
1 de pinda: nootje; belangrijk agrarisch product uit de koloniale tijd
2 To Pinda or not to Pinda – That’s the question: toespeling op “To be, or not to be, that is the question” in William Shakespeares toneelstuk “Hamlet”
3 Bos en Lommer: stadsdeel van Amsterdam
4 wiens huidskleur: van wie de huidskleur
5 PINDA: een magazine ván en óver Nederlanders met een Indische achtergrond. De titel werd vanaf de tweede uitgave gewijzigd naar PINDAH. Dit woord betekent in het Indonesisch onder meer „verhuizing“.
6 nota bene: let wel!
7 LINDA is een in 2003 opgericht vrouwentijdschrift rondom (en in nauwe samenwerking met) tv-persoonlijkheid Linda de Mol.
8 de bleekscheet: scheldwoord voor mensen met een blanke huidskleur
9 de geuzennaam: taalwetenschappelijke term voor een scheldwoord dat de beledigde als erenaam is gaan gebruiken
10 prikkelend: irriterend
11 NRC: landelijke Nederlandse krant
12 BNN-VARA: Nederlandse televisiezender
13 de doodsteek geven (uitdrukking): een vernietigende slag toebrengen
Opdracht (Teilaufgabe 2): Onderzoek grondig welk standpunt de schrijfster inneemt en welke argumenten zij geeft vóór en tégen de titel van het magazine Pinda. Betrek daarbij de manier waarop zij haar argumenten opbouwt. [20 Punkte]
Analyseer in je antwoord: 1) de positie die de schrijfster inneemt, 2) haar argumenten vóór, 3) haar argumenten tegen, en 4) de manier van argumenteren (argumentatiewijze en -functie).
Aufgabe HT 2 - Deel A.3 - Beoordeling · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je mee aan een zomercursus van het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag, getiteld “Discriminerend versus politiek correct taalgebruik – hoe zeg je het goed in een postkoloniale samenleving?”. Om een bredere kijk te krijgen, zijn er ook jongeren uit andere landen uitgenodigd.
De organisatoren stellen een reader samen met informatieve en motiverende teksten voor gebruik in de cursus. Daarom is aan alle deelnemers gevraagd om vooraf één mogelijk geschikt stuk materiaal te onderzoeken en te beoordelen. Jouw opdracht betreft een tekst van Lara Nuberg.
Informatie over de schrijver en de tekst
Lara Nuberg (*1990, Amsterdam) is historica en schrijft sinds oktober 2017 de blog “Gewoon een Indisch meisje”. Ze thematiseert in haar teksten problemen en kansen van haar Indisch-zijn binnen de Nederlandse samenleving.
Lara Nuberg: To Pinda 1 or not to Pinda – That’s the question 2
‘Vuile pinda-poep-mevrouw!’ Dat is wat de kinderen in de jaren zestig riepen naar mijn oma in de straten van Amsterdam Bos en Lommer 3. Mijn moeder was nog een kleuter, hield stevig de hand vast van de vrouw wiens huidskleur 4 ook zij had geërfd en perste haar lippen in een gevecht tegen de tranen stevig op elkaar. Ze huilde niet op straat, dat bewaarde ze [5] voor thuis, achter een gesloten buitendeur. ‘Ze mogen je niet zo noemen!’ snikte ze telkens zodra ze binnen kwamen. Mijn oma lachte steevast en drukte haar dochter dicht tegen zich aan. ‘Trek je er niks van aan,’ zei ze. ‘Dit zijn gewoon hele domme kinderen. Wij staan daar boven.’
Toen ik klein was vertelde mijn moeder dit verhaal regelmatig. Net als dat ze bij de slager [10] als kind vaak een plakje worst kreeg aangeboden met de vraag of ze soms teveel dropjes had gegeten of haar ogen niet had gewassen – ze waren immers zo zwart. ‘Ik antwoordde nooit,’ vertelde mijn moeder altijd. ‘Ik was zo verlegen. Ik keek die slager waarschijnlijk nogal verbaasd aan en kroop achter mijn moeders benen. De mensen toen waren niks gewend.’ Ook wij lachten er vervolgens om, om datgene wat inmiddels een anekdote was geworden. Wat [15] een sukkels, die Nederlanders.
Vijftig jaar nadat de woorden vuil, pinda en poep als een vanzelfsprekend trio door de straten van Nederland galmden en twintig jaar nadat ze klonken aan de rand van mijn bed als verhaaltje voor het slapen gaan of in de auto als verhaaltje voor onderweg, is daar nu het eenmalige magazine PINDA 5. De titel kwam nota bene 6 tot stand in een Indische herenclub, [20] waar ook mijn oom in zat – de zoon van de vuile pinda-poep-mevrouw.
Toen ik gevraagd werd om een aantal artikelen voor het blad te schrijven, hoefde ik daar niet eens over na te denken. Natúúrlijk, grappig zo’n woordspeling op LINDA 7, was mijn eerste gedachte. Zonder dat ik erbij stil stond was het racisme en het overlevingsmechanisme uit de jaren vijftig en zestig verworden tot een echte grap. Een woord met een knipoog, een [25] woord waar we luchtig over lachen. Een woord dat we zelfs af en toe zelf gebruiken – naar elkaar, naar schattige Indische kindjes. ‘Ben ik ook een pinda?’ vroeg mijn broertje ooit omdat hij minder donker is dan ik. ‘Natuurlijk,’ zei mijn moeder. ‘Als Lara dat is, dan ben jij dat ook.’ Hij was opgelucht, opgelucht omdat hij erbij hoorde – bij de familie.
Pas toen het blad aangekondigd werd op Facebook, werd ik dankzij verschillende reacties [30] weer geconfronteerd met de negatieve gevoelens en herinneringen die het woord ‘pinda’ bij velen nog altijd oproept. Plotseling was daar ook dat trio weer – vuil, pinda, poep – het beeld van mijn verlegen moeder als kleuter achter de benen van mijn oma, de tranen waarvan je als kind niet weet dat ze voortkomen uit macht versus onmacht, van meerderheid versus minderheid; uit het feit dat terug schelden met ‘bleekscheet’ of ‘kaaskop’ uiteindelijk nooit [35] hetzelfde effect heeft.
Hoeveel witte kinderen zullen hun tranen hebben moeten inhouden omdat hun moeder of zijzelf voor bleekscheet 8 werden uitgemaakt door een groepje Indische kinderen op straat?
Nu het magazine verschijnt en het woord PINDA in hoofdletters boven een groep bruine mensen op de cover prijkt, als een stempel, als een label, als een scheldwoord, als een [40] geuzennaam 9, als een koosnaam, voel ik me er toch wat anders bij dan een paar maanden geleden. Pinda is voor mensen met een achtergrond in voormalig Nederlands-Indië een woord met een lading; een woord waarvan we de geschiedenis niet mogen weglachen, alleen al omdat de echo ervan nog altijd doorklinkt in het onbegrip, de onwetendheid en de stilte in onze geschiedenisboeken.
[45] Ongeacht hoe je het woord als Indische Nederlander zelf gebruikt achter die befaamde gesloten buitendeur, vraag ik me nu af of het een handige titel is voor een blad. Prikkelend 10 is het in ieder geval wel – NRC 11 heeft er al aandacht aan besteed, BNN-VARA 12 belde me – en nu er geen weg meer terug is kan iedereen die eraan heeft meegewerkt er maar beter het beste van maken: Als een kickstarter om te praten over de geschiedenis van die bruine [50] mensen die ‘tenminste tegen een grapje kunnen.’
Er wordt weleens gezegd dat zelfspot het schild is waarmee je jezelf kan beschermen tegen racisme. Hoewel ik het daar niet mee eens ben – de enige bescherming tegen racisme is volgens mij het uitbannen ervan – ga ik met Pinda die zelfspot toch nog één keer gebruiken. Als wapen. Als doodsteek 13 van de onwetendheid die nog altijd de kop op steekt als het gaat [55] om de geschiedenis van Nederland in Indonesië.
Noem het naïef, maar ik hoop toch dat het lukt.
bron: Nuberg, Lara: To pinda or not to Pinda – That’s the question. Gewoon een Indisch meisje, 18 september 2019 ( Gewoon een Indisch meisje: een Nederlandstalige blog)
1 de pinda: nootje; belangrijk agrarisch product uit de koloniale tijd
2 To Pinda or not to Pinda – That’s the question: toespeling op “To be, or not to be, that is the question” in William Shakespeares toneelstuk “Hamlet”
3 Bos en Lommer: stadsdeel van Amsterdam
4 wiens huidskleur: van wie de huidskleur
5 PINDA: een magazine ván en óver Nederlanders met een Indische achtergrond. De titel werd vanaf de tweede uitgave gewijzigd naar PINDAH. Dit woord betekent in het Indonesisch onder meer „verhuizing“.
6 nota bene: let wel!
7 LINDA is een in 2003 opgericht vrouwentijdschrift rondom (en in nauwe samenwerking met) tv-persoonlijkheid Linda de Mol.
8 de bleekscheet: scheldwoord voor mensen met een blanke huidskleur
9 de geuzennaam: taalwetenschappelijke term voor een scheldwoord dat de beledigde als erenaam is gaan gebruiken
10 prikkelend: irriterend
11 NRC: landelijke Nederlandse krant
12 BNN-VARA: Nederlandse televisiezender
13 de doodsteek geven (uitdrukking): een vernietigende slag toebrengen
Opdracht (Teilaufgabe 3): Beoordeel, uitgaande van je analyse en je kennis van het Nederlandse koloniale verleden, in hoeverre de tekst geschikt is voor de reader van de zomercursus. Bespreek daarbij ook of er volgens jou in de titel van een tijdschrift woorden met een beladen betekenis zouden moeten worden gebruikt. [12 Punkte]
Geef in het Nederlands een goed onderbouwd oordeel. Neem hierin mee: 1) of de tekst past bij de doelgroep van de zomercursus, 2) je standpunt over beladen titels, en 3) relevante historische achtergrond over het koloniale verleden van Nederlands-Indië en over migratie.
Aufgabe HT 2 - Deel B - Taalverwerving · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je mee aan een zomercursus van het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag, getiteld “Discriminerend versus politiek correct taalgebruik – hoe zeg je het goed in een postkoloniale samenleving?”. Om een bredere kijk te krijgen, zijn er ook jongeren uit andere landen uitgenodigd.
De organisatoren stellen een reader samen met informatieve en motiverende teksten voor gebruik in de cursus. Daarom is aan alle deelnemers gevraagd om vooraf één mogelijk geschikt stuk materiaal te onderzoeken en te beoordelen. Jouw opdracht betreft een tekst van Lara Nuberg.
Informatie over de schrijver en de tekst
Lara Nuberg (*1990, Amsterdam) is historica en schrijft sinds oktober 2017 de blog “Gewoon een Indisch meisje”. Ze thematiseert in haar teksten problemen en kansen van haar Indisch-zijn binnen de Nederlandse samenleving.
Lara Nuberg: To Pinda 1 or not to Pinda – That’s the question 2
‘Vuile pinda-poep-mevrouw!’ Dat is wat de kinderen in de jaren zestig riepen naar mijn oma in de straten van Amsterdam Bos en Lommer 3. Mijn moeder was nog een kleuter, hield stevig de hand vast van de vrouw wiens huidskleur 4 ook zij had geërfd en perste haar lippen in een gevecht tegen de tranen stevig op elkaar. Ze huilde niet op straat, dat bewaarde ze [5] voor thuis, achter een gesloten buitendeur. ‘Ze mogen je niet zo noemen!’ snikte ze telkens zodra ze binnen kwamen. Mijn oma lachte steevast en drukte haar dochter dicht tegen zich aan. ‘Trek je er niks van aan,’ zei ze. ‘Dit zijn gewoon hele domme kinderen. Wij staan daar boven.’
Toen ik klein was vertelde mijn moeder dit verhaal regelmatig. Net als dat ze bij de slager [10] als kind vaak een plakje worst kreeg aangeboden met de vraag of ze soms teveel dropjes had gegeten of haar ogen niet had gewassen – ze waren immers zo zwart. ‘Ik antwoordde nooit,’ vertelde mijn moeder altijd. ‘Ik was zo verlegen. Ik keek die slager waarschijnlijk nogal verbaasd aan en kroop achter mijn moeders benen. De mensen toen waren niks gewend.’ Ook wij lachten er vervolgens om, om datgene wat inmiddels een anekdote was geworden. Wat [15] een sukkels, die Nederlanders.
Vijftig jaar nadat de woorden vuil, pinda en poep als een vanzelfsprekend trio door de straten van Nederland galmden en twintig jaar nadat ze klonken aan de rand van mijn bed als verhaaltje voor het slapen gaan of in de auto als verhaaltje voor onderweg, is daar nu het eenmalige magazine PINDA 5. De titel kwam nota bene 6 tot stand in een Indische herenclub, [20] waar ook mijn oom in zat – de zoon van de vuile pinda-poep-mevrouw.
Toen ik gevraagd werd om een aantal artikelen voor het blad te schrijven, hoefde ik daar niet eens over na te denken. Natúúrlijk, grappig zo’n woordspeling op LINDA 7, was mijn eerste gedachte. Zonder dat ik erbij stil stond was het racisme en het overlevingsmechanisme uit de jaren vijftig en zestig verworden tot een echte grap. Een woord met een knipoog, een [25] woord waar we luchtig over lachen. Een woord dat we zelfs af en toe zelf gebruiken – naar elkaar, naar schattige Indische kindjes. ‘Ben ik ook een pinda?’ vroeg mijn broertje ooit omdat hij minder donker is dan ik. ‘Natuurlijk,’ zei mijn moeder. ‘Als Lara dat is, dan ben jij dat ook.’ Hij was opgelucht, opgelucht omdat hij erbij hoorde – bij de familie.
Pas toen het blad aangekondigd werd op Facebook, werd ik dankzij verschillende reacties [30] weer geconfronteerd met de negatieve gevoelens en herinneringen die het woord ‘pinda’ bij velen nog altijd oproept. Plotseling was daar ook dat trio weer – vuil, pinda, poep – het beeld van mijn verlegen moeder als kleuter achter de benen van mijn oma, de tranen waarvan je als kind niet weet dat ze voortkomen uit macht versus onmacht, van meerderheid versus minderheid; uit het feit dat terug schelden met ‘bleekscheet’ of ‘kaaskop’ uiteindelijk nooit [35] hetzelfde effect heeft.
Hoeveel witte kinderen zullen hun tranen hebben moeten inhouden omdat hun moeder of zijzelf voor bleekscheet 8 werden uitgemaakt door een groepje Indische kinderen op straat?
Nu het magazine verschijnt en het woord PINDA in hoofdletters boven een groep bruine mensen op de cover prijkt, als een stempel, als een label, als een scheldwoord, als een [40] geuzennaam 9, als een koosnaam, voel ik me er toch wat anders bij dan een paar maanden geleden. Pinda is voor mensen met een achtergrond in voormalig Nederlands-Indië een woord met een lading; een woord waarvan we de geschiedenis niet mogen weglachen, alleen al omdat de echo ervan nog altijd doorklinkt in het onbegrip, de onwetendheid en de stilte in onze geschiedenisboeken.
[45] Ongeacht hoe je het woord als Indische Nederlander zelf gebruikt achter die befaamde gesloten buitendeur, vraag ik me nu af of het een handige titel is voor een blad. Prikkelend 10 is het in ieder geval wel – NRC 11 heeft er al aandacht aan besteed, BNN-VARA 12 belde me – en nu er geen weg meer terug is kan iedereen die eraan heeft meegewerkt er maar beter het beste van maken: Als een kickstarter om te praten over de geschiedenis van die bruine [50] mensen die ‘tenminste tegen een grapje kunnen.’
Er wordt weleens gezegd dat zelfspot het schild is waarmee je jezelf kan beschermen tegen racisme. Hoewel ik het daar niet mee eens ben – de enige bescherming tegen racisme is volgens mij het uitbannen ervan – ga ik met Pinda die zelfspot toch nog één keer gebruiken. Als wapen. Als doodsteek 13 van de onwetendheid die nog altijd de kop op steekt als het gaat [55] om de geschiedenis van Nederland in Indonesië.
Noem het naïef, maar ik hoop toch dat het lukt.
bron: Nuberg, Lara: To pinda or not to Pinda – That’s the question. Gewoon een Indisch meisje, 18 september 2019 ( Gewoon een Indisch meisje: een Nederlandstalige blog)
1 de pinda: nootje; belangrijk agrarisch product uit de koloniale tijd
2 To Pinda or not to Pinda – That’s the question: toespeling op “To be, or not to be, that is the question” in William Shakespeares toneelstuk “Hamlet”
3 Bos en Lommer: stadsdeel van Amsterdam
4 wiens huidskleur: van wie de huidskleur
5 PINDA: een magazine ván en óver Nederlanders met een Indische achtergrond. De titel werd vanaf de tweede uitgave gewijzigd naar PINDAH. Dit woord betekent in het Indonesisch onder meer „verhuizing“.
6 nota bene: let wel!
7 LINDA is een in 2003 opgericht vrouwentijdschrift rondom (en in nauwe samenwerking met) tv-persoonlijkheid Linda de Mol.
8 de bleekscheet: scheldwoord voor mensen met een blanke huidskleur
9 de geuzennaam: taalwetenschappelijke term voor een scheldwoord dat de beledigde als erenaam is gaan gebruiken
10 prikkelend: irriterend
11 NRC: landelijke Nederlandse krant
12 BNN-VARA: Nederlandse televisiezender
13 de doodsteek geven (uitdrukking): een vernietigende slag toebrengen
Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert
Opdracht:
Je houdt na de zomercursus nog contact met Fleur, een Nederlandse die nu European Politics and Society studeert aan de Universiteit Leiden. Ze werkt op dit moment aan een werkstuk over hoe Duitsland met zijn koloniale verleden omgaat.
Om haar te ondersteunen schrijf je haar een brief, waarin je uitlegt op welke manier Otto von Bismarck in twee musea wordt herdacht en welke redenen er achter deze uiteenlopende vormen van herdenking zitten.
Aufgabe HT 3 - Deel A.1 - Inhoud weergeven · Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je stage bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Je helpt er bij het voorbereiden van een literaire leesavond voor jongeren onder de titel “Interculturele communicatie”, waarbij schrijvers fragmenten uit hun boeken voorlezen en erover in discussie gaan.
Men is nog op zoek naar geschikte teksten. Daarom bestudeer je een fragment uit een roman van Tom Naegels en stel je voor je collega’s een verslag op, waarin je beoordeelt of het fragment geschikt is voor de leesavond.
Informatie over de schrijver en de tekst
Tom Naegels (*1975) is een Vlaamse auteur en theatermaker. Zijn in 2005 verschenen roman “Los” speelt in Antwerpen.
Voorafgaand aan het voorliggende fragment is de mannelijke ik-figuur, een journalist en schrijver, bij een concert van “De Strangers” geweest, een band die in Antwerps dialect internationale hits covert en daarin de spot drijft met mensen uit verschillende culturen.
Tom Naegels: Los
Na het concert ga ik naar Nadia. Het is vreemd om, na die overdosis Vlaamse volksmensen
met hun banana-patata-geschater 1, door Borgerhout en de Seefhoek 2 te lopen en niets anders
te zien dan Arabieren, Afrikanen en Oost-Europeanen. Zouden ze weten dat vlakbij een zaal
propvol Vlamingen zich net een breuk heeft gelachen om een karikaturale voorstelling van
5 hun kledij en hun taal? Hoe zouden ze reageren als ik nu luidkeels ‘Chamchamcham ai ai
banana patata’ 3 begin te roepen? Zouden ze aanvaarden dat dat Vlaamse humor is?
Ik vecht tegen het onbehaaglijke gevoel de enige blanke in de wijk te zijn. Er is niets
bedreigends aan deze mensen. Ze trekken zich niets aan van mij. (Maar ze zijn met zovelen!)
Ze staan gewoon in grote groepen geanimeerd op straat te praten. (Waarom doen ze alles in
10 groep?) Mijn hart gaat naar hen uit. 4 [...]
Ik ga Nadia’s huis binnen. Ik schud mijn hoofd als de klink in mijn hand achterblijft en zet
ze er zo goed als ik kan weer aan. De trap is wankel, het behang in de gang bladdert van de
muren. Maar haar flatje is gezellig en netjes, ze staat me in het deurgat glunderend op te
wachten en ik kus haar vol overgave.
15 Na de kus slaat ze haar handen voor mijn ogen. Ze giechelt en leidt me door haar flat, langs
het immense bed dat het midden van de ruimte inneemt en de doorgang naar de keuken
bijna blokkeert. Daar haalt ze haar handen weg en juicht: ‘Ta-daa!’
Ik zie haar keuken, verlicht door een flikkerende tl-lamp 5, de kale, kleine kamer met de
kastjes die altijd openvallen (ik vermoed dat haar hele flat scheef staat, want zowel de
20 deuren van de kleerkast als die van de keukenkast vallen wijd open), de stoelen met de
metalen poten en het namaakleren zitvlak, en de enige tafel van de flat. Op die tafel staan
twee borden en daarvoor twee lange rode brandende kaarsen. Kerstkaarsen. In groene
plastic houdertjes in de vorm van een hulstblad 6.
‘Ta-daa’, zegt Nadia opnieuw, onzekerder nu.
25 Juist, sorry, vergeten.
‘Maar dat is prachtig!’
Te laat, niet overtuigend genoeg, maar ze besluit het te negeren. ‘Nee?’ glundert ze. ‘Is niet
zo romantic maar beetje ja?’
Waarom zie ik dat het kerstkaarsen zijn? Waarom kan ik niet gewoon denken: Goh, kaarsen,
30 lekker romantisch? Vanwaar die mentale glimlach (een spottende! Geef maar toe!) om die
plastic hulstbladeren? Voel ik me te goed voor hulstbladeren misschien? Voel ik me beter
dan haar omdat ik weet welke kaarsen bij welke gelegenheid horen? Kijk ik neer op haar
koekjesdozenromantiek? En waarom dan? Omdat die niet echt is? Voor haar is ze echt!
[...]
35 Nadia heeft me een heel nieuwe soort liefde leren kennen: die zonder woorden. Voor veel
mensen is dat de allerhoogste vorm maar voor een schrijver is het aanpassen. Ik verlang er
vreselijk naar om bij haar te zijn, alleen weet ik nooit wat tegen haar te zeggen. Het is niet
dat er een taalprobleem is. We spreken allebei goed Engels en haar Nederlands wordt steeds
beter. We hebben een onderwerpenprobleem. Waarover praat je met iemand die tot vorig
40 jaar in Pakistan woonde?
‘Hoe was concert?’ vraagt ze.
‘Goed’, zeg ik.
(Nu moet ik vertellen over het concert. We kunnen die eeuwige stiltes alleen doorbreken als
we tegen elkaar praten.)
45 ‘Het was een groep Antwerpenaars.’
‘Ze waren van Antwerpen?’
‘Ja. Zangers. Van Antwerpen. Vier. En ze zijn grappig.’
‘Op welke manier?’
(Goeie vraag. Hoe kan ik de geestigheid van het platte Antwerpse dialect duidelijk maken
50 aan iemand die niet eens gewoon Nederlands spreekt?)
‘Ze zingen in het dialect van Antwerpen. Ze nemen een bekend liedje, en ze spelen het zelf,
maar met een andere tekst. Een grappige tekst. Ken je Bambolero 7 van The Gipsy Kings?’
‘Nee.’
Hier gaan we. Eerst zing ik Bambolero, en dan op die melodie ‘De paella van Manuela’, en
55 dan vertaal ik de tekst van dat liedje in het Engels, ik leg uit wat paella is, en wat flamenco
is, en dat flamencozangers kreunen – ik kreun als een flamencozanger – en dat het grappig
is als De Strangers op dezelfde manier kreunen – ik zing flamenco-kreunend ‘Ik moet die
paella ni hemmen 8 !’ –, ik stamp met mijn voeten, leg uit dat het grappig is om vier oude
Antwerpenaars op dezelfde manier met hun voeten te zien rakketakken 9, ik leg de
60 woordspeling uit in ‘heure garnot was zo plat as ne pladijs’ 10 en uiteindelijk heeft ze een
redelijke theoretische kennis van de relatie tussen Spanje, flamenco, paella, The Gipsy
Kings, oude mannen, het Antwerps en waarom ik die combinatie grappig vind.
‘Belgen verkleden zich graag’, lacht ze. ‘Dat is wat Belgen leuk vinden.’
Is dat wat ik net heb uitgelegd?
bron: Naegels, Tom: Los. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff/Manteau, 2005, p. 54 – 57
1 banana-patata-geschater: toespeling op de uitbundige sfeer tijdens het concert
2 Borgerhout en Seefhoek zijn twee multiculturele wijken in het noorden van Antwerpen.
3 ‘Chamchamcham ai ai banana patata’: namaak-Arabisch dat de zanger van De Strangers voor de grap in het concert zingt
4 Mijn hart gaat naar hen uit (uitdrukking): Ik heb sympathie voor hen.
5 de tl-lamp: buisvormige lamp die een kunstmatig licht geeft
6 het hulstblad: blad van een altijd groene plant, vaak gebruikt voor kerstversieringen
7 Bambolero: internationale hit uit het jaar 1988 van de Frans-Spaanse flamenco-pop-band The Gipsy Kings
8 ni hemmen (Antwerps dialect): niet hebben
9 rakketakken (klanknabootsend woord): ritmisch stampen
10 heure garnot was zo plat as ne pladijs (Antwerps dialect): haar garnaal was zo plat als een platvis
Opdracht: Maak een verslag van het fragment uit de roman “Los” van Tom Naegels.
• Vat samen waar de tekst over gaat. [10 Punkte]
Aufgabe HT 3 - Deel A.2 - Literaire analyse · Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je stage bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Je helpt er bij het voorbereiden van een literaire leesavond voor jongeren onder de titel “Interculturele communicatie”, waarbij schrijvers fragmenten uit hun boeken voorlezen en erover in discussie gaan.
Men is nog op zoek naar geschikte teksten. Daarom bestudeer je een fragment uit een roman van Tom Naegels en stel je voor je collega’s een verslag op, waarin je beoordeelt of het fragment geschikt is voor de leesavond.
Informatie over de schrijver en de tekst
Tom Naegels (*1975) is een Vlaamse auteur en theatermaker. Zijn in 2005 verschenen roman “Los” speelt in Antwerpen.
Voorafgaand aan het voorliggende fragment is de mannelijke ik-figuur, een journalist en schrijver, bij een concert van “De Strangers” geweest, een band die in Antwerps dialect internationale hits covert en daarin de spot drijft met mensen uit verschillende culturen.
Tom Naegels: Los
Na het concert ga ik naar Nadia. Het is vreemd om, na die overdosis Vlaamse volksmensen
met hun banana-patata-geschater 1, door Borgerhout en de Seefhoek 2 te lopen en niets anders
te zien dan Arabieren, Afrikanen en Oost-Europeanen. Zouden ze weten dat vlakbij een zaal
propvol Vlamingen zich net een breuk heeft gelachen om een karikaturale voorstelling van
5 hun kledij en hun taal? Hoe zouden ze reageren als ik nu luidkeels ‘Chamchamcham ai ai
banana patata’ 3 begin te roepen? Zouden ze aanvaarden dat dat Vlaamse humor is?
Ik vecht tegen het onbehaaglijke gevoel de enige blanke in de wijk te zijn. Er is niets
bedreigends aan deze mensen. Ze trekken zich niets aan van mij. (Maar ze zijn met zovelen!)
Ze staan gewoon in grote groepen geanimeerd op straat te praten. (Waarom doen ze alles in
10 groep?) Mijn hart gaat naar hen uit. 4 [...]
Ik ga Nadia’s huis binnen. Ik schud mijn hoofd als de klink in mijn hand achterblijft en zet
ze er zo goed als ik kan weer aan. De trap is wankel, het behang in de gang bladdert van de
muren. Maar haar flatje is gezellig en netjes, ze staat me in het deurgat glunderend op te
wachten en ik kus haar vol overgave.
15 Na de kus slaat ze haar handen voor mijn ogen. Ze giechelt en leidt me door haar flat, langs
het immense bed dat het midden van de ruimte inneemt en de doorgang naar de keuken
bijna blokkeert. Daar haalt ze haar handen weg en juicht: ‘Ta-daa!’
Ik zie haar keuken, verlicht door een flikkerende tl-lamp 5, de kale, kleine kamer met de
kastjes die altijd openvallen (ik vermoed dat haar hele flat scheef staat, want zowel de
20 deuren van de kleerkast als die van de keukenkast vallen wijd open), de stoelen met de
metalen poten en het namaakleren zitvlak, en de enige tafel van de flat. Op die tafel staan
twee borden en daarvoor twee lange rode brandende kaarsen. Kerstkaarsen. In groene
plastic houdertjes in de vorm van een hulstblad 6.
‘Ta-daa’, zegt Nadia opnieuw, onzekerder nu.
25 Juist, sorry, vergeten.
‘Maar dat is prachtig!’
Te laat, niet overtuigend genoeg, maar ze besluit het te negeren. ‘Nee?’ glundert ze. ‘Is niet
zo romantic maar beetje ja?’
Waarom zie ik dat het kerstkaarsen zijn? Waarom kan ik niet gewoon denken: Goh, kaarsen,
30 lekker romantisch? Vanwaar die mentale glimlach (een spottende! Geef maar toe!) om die
plastic hulstbladeren? Voel ik me te goed voor hulstbladeren misschien? Voel ik me beter
dan haar omdat ik weet welke kaarsen bij welke gelegenheid horen? Kijk ik neer op haar
koekjesdozenromantiek? En waarom dan? Omdat die niet echt is? Voor haar is ze echt!
[...]
35 Nadia heeft me een heel nieuwe soort liefde leren kennen: die zonder woorden. Voor veel
mensen is dat de allerhoogste vorm maar voor een schrijver is het aanpassen. Ik verlang er
vreselijk naar om bij haar te zijn, alleen weet ik nooit wat tegen haar te zeggen. Het is niet
dat er een taalprobleem is. We spreken allebei goed Engels en haar Nederlands wordt steeds
beter. We hebben een onderwerpenprobleem. Waarover praat je met iemand die tot vorig
40 jaar in Pakistan woonde?
‘Hoe was concert?’ vraagt ze.
‘Goed’, zeg ik.
(Nu moet ik vertellen over het concert. We kunnen die eeuwige stiltes alleen doorbreken als
we tegen elkaar praten.)
45 ‘Het was een groep Antwerpenaars.’
‘Ze waren van Antwerpen?’
‘Ja. Zangers. Van Antwerpen. Vier. En ze zijn grappig.’
‘Op welke manier?’
(Goeie vraag. Hoe kan ik de geestigheid van het platte Antwerpse dialect duidelijk maken
50 aan iemand die niet eens gewoon Nederlands spreekt?)
‘Ze zingen in het dialect van Antwerpen. Ze nemen een bekend liedje, en ze spelen het zelf,
maar met een andere tekst. Een grappige tekst. Ken je Bambolero 7 van The Gipsy Kings?’
‘Nee.’
Hier gaan we. Eerst zing ik Bambolero, en dan op die melodie ‘De paella van Manuela’, en
55 dan vertaal ik de tekst van dat liedje in het Engels, ik leg uit wat paella is, en wat flamenco
is, en dat flamencozangers kreunen – ik kreun als een flamencozanger – en dat het grappig
is als De Strangers op dezelfde manier kreunen – ik zing flamenco-kreunend ‘Ik moet die
paella ni hemmen 8 !’ –, ik stamp met mijn voeten, leg uit dat het grappig is om vier oude
Antwerpenaars op dezelfde manier met hun voeten te zien rakketakken 9, ik leg de
60 woordspeling uit in ‘heure garnot was zo plat as ne pladijs’ 10 en uiteindelijk heeft ze een
redelijke theoretische kennis van de relatie tussen Spanje, flamenco, paella, The Gipsy
Kings, oude mannen, het Antwerps en waarom ik die combinatie grappig vind.
‘Belgen verkleden zich graag’, lacht ze. ‘Dat is wat Belgen leuk vinden.’
Is dat wat ik net heb uitgelegd?
bron: Naegels, Tom: Los. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff/Manteau, 2005, p. 54 – 57
1 banana-patata-geschater: toespeling op de uitbundige sfeer tijdens het concert
2 Borgerhout en Seefhoek zijn twee multiculturele wijken in het noorden van Antwerpen.
3 ‘Chamchamcham ai ai banana patata’: namaak-Arabisch dat de zanger van De Strangers voor de grap in het concert zingt
4 Mijn hart gaat naar hen uit (uitdrukking): Ik heb sympathie voor hen.
5 de tl-lamp: buisvormige lamp die een kunstmatig licht geeft
6 het hulstblad: blad van een altijd groene plant, vaak gebruikt voor kerstversieringen
7 Bambolero: internationale hit uit het jaar 1988 van de Frans-Spaanse flamenco-pop-band The Gipsy Kings
8 ni hemmen (Antwerps dialect): niet hebben
9 rakketakken (klanknabootsend woord): ritmisch stampen
10 heure garnot was zo plat as ne pladijs (Antwerps dialect): haar garnaal was zo plat als een platvis
Opdracht: Maak een verslag over het fragment uit de roman “Los” van Tom Naegels.
• Onderzoek grondig hoe de ik-figuur zich opstelt tegenover mensen met een migratieachtergrond en welke specifieke communicatieproblemen er spelen in zijn verhouding tot Nadia. Betrek hierbij ook de literaire middelen. [18 Punkte]
Aufgabe HT 3 - Deel A.3 - Beoordeling · Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer)
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je stage bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Je helpt er bij het voorbereiden van een literaire leesavond voor jongeren onder de titel “Interculturele communicatie”, waarbij schrijvers fragmenten uit hun boeken voorlezen en erover in discussie gaan.
Men is nog op zoek naar geschikte teksten. Daarom bestudeer je een fragment uit een roman van Tom Naegels en stel je voor je collega’s een verslag op, waarin je beoordeelt of het fragment geschikt is voor de leesavond.
Informatie over de schrijver en de tekst
Tom Naegels (*1975) is een Vlaamse auteur en theatermaker. Zijn in 2005 verschenen roman “Los” speelt in Antwerpen.
Voorafgaand aan het voorliggende fragment is de mannelijke ik-figuur, een journalist en schrijver, bij een concert van “De Strangers” geweest, een band die in Antwerps dialect internationale hits covert en daarin de spot drijft met mensen uit verschillende culturen.
Tom Naegels: Los
Na het concert ga ik naar Nadia. Het is vreemd om, na die overdosis Vlaamse volksmensen
met hun banana-patata-geschater 1, door Borgerhout en de Seefhoek 2 te lopen en niets anders
te zien dan Arabieren, Afrikanen en Oost-Europeanen. Zouden ze weten dat vlakbij een zaal
propvol Vlamingen zich net een breuk heeft gelachen om een karikaturale voorstelling van
5 hun kledij en hun taal? Hoe zouden ze reageren als ik nu luidkeels ‘Chamchamcham ai ai
banana patata’ 3 begin te roepen? Zouden ze aanvaarden dat dat Vlaamse humor is?
Ik vecht tegen het onbehaaglijke gevoel de enige blanke in de wijk te zijn. Er is niets
bedreigends aan deze mensen. Ze trekken zich niets aan van mij. (Maar ze zijn met zovelen!)
Ze staan gewoon in grote groepen geanimeerd op straat te praten. (Waarom doen ze alles in
10 groep?) Mijn hart gaat naar hen uit. 4 [...]
Ik ga Nadia’s huis binnen. Ik schud mijn hoofd als de klink in mijn hand achterblijft en zet
ze er zo goed als ik kan weer aan. De trap is wankel, het behang in de gang bladdert van de
muren. Maar haar flatje is gezellig en netjes, ze staat me in het deurgat glunderend op te
wachten en ik kus haar vol overgave.
15 Na de kus slaat ze haar handen voor mijn ogen. Ze giechelt en leidt me door haar flat, langs
het immense bed dat het midden van de ruimte inneemt en de doorgang naar de keuken
bijna blokkeert. Daar haalt ze haar handen weg en juicht: ‘Ta-daa!’
Ik zie haar keuken, verlicht door een flikkerende tl-lamp 5, de kale, kleine kamer met de
kastjes die altijd openvallen (ik vermoed dat haar hele flat scheef staat, want zowel de
20 deuren van de kleerkast als die van de keukenkast vallen wijd open), de stoelen met de
metalen poten en het namaakleren zitvlak, en de enige tafel van de flat. Op die tafel staan
twee borden en daarvoor twee lange rode brandende kaarsen. Kerstkaarsen. In groene
plastic houdertjes in de vorm van een hulstblad 6.
‘Ta-daa’, zegt Nadia opnieuw, onzekerder nu.
25 Juist, sorry, vergeten.
‘Maar dat is prachtig!’
Te laat, niet overtuigend genoeg, maar ze besluit het te negeren. ‘Nee?’ glundert ze. ‘Is niet
zo romantic maar beetje ja?’
Waarom zie ik dat het kerstkaarsen zijn? Waarom kan ik niet gewoon denken: Goh, kaarsen,
30 lekker romantisch? Vanwaar die mentale glimlach (een spottende! Geef maar toe!) om die
plastic hulstbladeren? Voel ik me te goed voor hulstbladeren misschien? Voel ik me beter
dan haar omdat ik weet welke kaarsen bij welke gelegenheid horen? Kijk ik neer op haar
koekjesdozenromantiek? En waarom dan? Omdat die niet echt is? Voor haar is ze echt!
[...]
35 Nadia heeft me een heel nieuwe soort liefde leren kennen: die zonder woorden. Voor veel
mensen is dat de allerhoogste vorm maar voor een schrijver is het aanpassen. Ik verlang er
vreselijk naar om bij haar te zijn, alleen weet ik nooit wat tegen haar te zeggen. Het is niet
dat er een taalprobleem is. We spreken allebei goed Engels en haar Nederlands wordt steeds
beter. We hebben een onderwerpenprobleem. Waarover praat je met iemand die tot vorig
40 jaar in Pakistan woonde?
‘Hoe was concert?’ vraagt ze.
‘Goed’, zeg ik.
(Nu moet ik vertellen over het concert. We kunnen die eeuwige stiltes alleen doorbreken als
we tegen elkaar praten.)
45 ‘Het was een groep Antwerpenaars.’
‘Ze waren van Antwerpen?’
‘Ja. Zangers. Van Antwerpen. Vier. En ze zijn grappig.’
‘Op welke manier?’
(Goeie vraag. Hoe kan ik de geestigheid van het platte Antwerpse dialect duidelijk maken
50 aan iemand die niet eens gewoon Nederlands spreekt?)
‘Ze zingen in het dialect van Antwerpen. Ze nemen een bekend liedje, en ze spelen het zelf,
maar met een andere tekst. Een grappige tekst. Ken je Bambolero 7 van The Gipsy Kings?’
‘Nee.’
Hier gaan we. Eerst zing ik Bambolero, en dan op die melodie ‘De paella van Manuela’, en
55 dan vertaal ik de tekst van dat liedje in het Engels, ik leg uit wat paella is, en wat flamenco
is, en dat flamencozangers kreunen – ik kreun als een flamencozanger – en dat het grappig
is als De Strangers op dezelfde manier kreunen – ik zing flamenco-kreunend ‘Ik moet die
paella ni hemmen 8 !’ –, ik stamp met mijn voeten, leg uit dat het grappig is om vier oude
Antwerpenaars op dezelfde manier met hun voeten te zien rakketakken 9, ik leg de
60 woordspeling uit in ‘heure garnot was zo plat as ne pladijs’ 10 en uiteindelijk heeft ze een
redelijke theoretische kennis van de relatie tussen Spanje, flamenco, paella, The Gipsy
Kings, oude mannen, het Antwerps en waarom ik die combinatie grappig vind.
‘Belgen verkleden zich graag’, lacht ze. ‘Dat is wat Belgen leuk vinden.’
Is dat wat ik net heb uitgelegd?
bron: Naegels, Tom: Los. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff/Manteau, 2005, p. 54 – 57
1 banana-patata-geschater: toespeling op de uitbundige sfeer tijdens het concert
2 Borgerhout en Seefhoek zijn twee multiculturele wijken in het noorden van Antwerpen.
3 ‘Chamchamcham ai ai banana patata’: namaak-Arabisch dat de zanger van De Strangers voor de grap in het concert zingt
4 Mijn hart gaat naar hen uit (uitdrukking): Ik heb sympathie voor hen.
5 de tl-lamp: buisvormige lamp die een kunstmatig licht geeft
6 het hulstblad: blad van een altijd groene plant, vaak gebruikt voor kerstversieringen
7 Bambolero: internationale hit uit het jaar 1988 van de Frans-Spaanse flamenco-pop-band The Gipsy Kings
8 ni hemmen (Antwerps dialect): niet hebben
9 rakketakken (klanknabootsend woord): ritmisch stampen
10 heure garnot was zo plat as ne pladijs (Antwerps dialect): haar garnaal was zo plat als een platvis
Opdracht: Schrijf een verslag over het fragment uit de roman “Los” van Tom Naegels.
• Bediscussieer, uitgaand van je analyse en je voorkennis over integratie, in hoeverre de tekst geschikt is om jongeren begrip bij te brengen voor het thema van de leesavond. Betrek hierbij het citaat: “Is dat wat ik net heb uitgelegd?” [14 Punkte]
Aufgabe HT 3 - Deel B - Taalverwerving · Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch
Situatie
Nadat je van school bent gekomen, doe je stage bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Je helpt er bij het voorbereiden van een literaire leesavond voor jongeren onder de titel “Interculturele communicatie”, waarbij schrijvers fragmenten uit hun boeken voorlezen en erover in discussie gaan.
Men is nog op zoek naar geschikte teksten. Daarom bestudeer je een fragment uit een roman van Tom Naegels en stel je voor je collega’s een verslag op, waarin je beoordeelt of het fragment geschikt is voor de leesavond.
Informatie over de schrijver en de tekst
Tom Naegels (*1975) is een Vlaamse auteur en theatermaker. Zijn in 2005 verschenen roman “Los” speelt in Antwerpen.
Voorafgaand aan het voorliggende fragment is de mannelijke ik-figuur, een journalist en schrijver, bij een concert van “De Strangers” geweest, een band die in Antwerps dialect internationale hits covert en daarin de spot drijft met mensen uit verschillende culturen.
Tom Naegels: Los
Na het concert ga ik naar Nadia. Het is vreemd om, na die overdosis Vlaamse volksmensen
met hun banana-patata-geschater 1, door Borgerhout en de Seefhoek 2 te lopen en niets anders
te zien dan Arabieren, Afrikanen en Oost-Europeanen. Zouden ze weten dat vlakbij een zaal
propvol Vlamingen zich net een breuk heeft gelachen om een karikaturale voorstelling van
5 hun kledij en hun taal? Hoe zouden ze reageren als ik nu luidkeels ‘Chamchamcham ai ai
banana patata’ 3 begin te roepen? Zouden ze aanvaarden dat dat Vlaamse humor is?
Ik vecht tegen het onbehaaglijke gevoel de enige blanke in de wijk te zijn. Er is niets
bedreigends aan deze mensen. Ze trekken zich niets aan van mij. (Maar ze zijn met zovelen!)
Ze staan gewoon in grote groepen geanimeerd op straat te praten. (Waarom doen ze alles in
10 groep?) Mijn hart gaat naar hen uit. 4 [...]
Ik ga Nadia’s huis binnen. Ik schud mijn hoofd als de klink in mijn hand achterblijft en zet
ze er zo goed als ik kan weer aan. De trap is wankel, het behang in de gang bladdert van de
muren. Maar haar flatje is gezellig en netjes, ze staat me in het deurgat glunderend op te
wachten en ik kus haar vol overgave.
15 Na de kus slaat ze haar handen voor mijn ogen. Ze giechelt en leidt me door haar flat, langs
het immense bed dat het midden van de ruimte inneemt en de doorgang naar de keuken
bijna blokkeert. Daar haalt ze haar handen weg en juicht: ‘Ta-daa!’
Ik zie haar keuken, verlicht door een flikkerende tl-lamp 5, de kale, kleine kamer met de
kastjes die altijd openvallen (ik vermoed dat haar hele flat scheef staat, want zowel de
20 deuren van de kleerkast als die van de keukenkast vallen wijd open), de stoelen met de
metalen poten en het namaakleren zitvlak, en de enige tafel van de flat. Op die tafel staan
twee borden en daarvoor twee lange rode brandende kaarsen. Kerstkaarsen. In groene
plastic houdertjes in de vorm van een hulstblad 6.
‘Ta-daa’, zegt Nadia opnieuw, onzekerder nu.
25 Juist, sorry, vergeten.
‘Maar dat is prachtig!’
Te laat, niet overtuigend genoeg, maar ze besluit het te negeren. ‘Nee?’ glundert ze. ‘Is niet
zo romantic maar beetje ja?’
Waarom zie ik dat het kerstkaarsen zijn? Waarom kan ik niet gewoon denken: Goh, kaarsen,
30 lekker romantisch? Vanwaar die mentale glimlach (een spottende! Geef maar toe!) om die
plastic hulstbladeren? Voel ik me te goed voor hulstbladeren misschien? Voel ik me beter
dan haar omdat ik weet welke kaarsen bij welke gelegenheid horen? Kijk ik neer op haar
koekjesdozenromantiek? En waarom dan? Omdat die niet echt is? Voor haar is ze echt!
[...]
35 Nadia heeft me een heel nieuwe soort liefde leren kennen: die zonder woorden. Voor veel
mensen is dat de allerhoogste vorm maar voor een schrijver is het aanpassen. Ik verlang er
vreselijk naar om bij haar te zijn, alleen weet ik nooit wat tegen haar te zeggen. Het is niet
dat er een taalprobleem is. We spreken allebei goed Engels en haar Nederlands wordt steeds
beter. We hebben een onderwerpenprobleem. Waarover praat je met iemand die tot vorig
40 jaar in Pakistan woonde?
‘Hoe was concert?’ vraagt ze.
‘Goed’, zeg ik.
(Nu moet ik vertellen over het concert. We kunnen die eeuwige stiltes alleen doorbreken als
we tegen elkaar praten.)
45 ‘Het was een groep Antwerpenaars.’
‘Ze waren van Antwerpen?’
‘Ja. Zangers. Van Antwerpen. Vier. En ze zijn grappig.’
‘Op welke manier?’
(Goeie vraag. Hoe kan ik de geestigheid van het platte Antwerpse dialect duidelijk maken
50 aan iemand die niet eens gewoon Nederlands spreekt?)
‘Ze zingen in het dialect van Antwerpen. Ze nemen een bekend liedje, en ze spelen het zelf,
maar met een andere tekst. Een grappige tekst. Ken je Bambolero 7 van The Gipsy Kings?’
‘Nee.’
Hier gaan we. Eerst zing ik Bambolero, en dan op die melodie ‘De paella van Manuela’, en
55 dan vertaal ik de tekst van dat liedje in het Engels, ik leg uit wat paella is, en wat flamenco
is, en dat flamencozangers kreunen – ik kreun als een flamencozanger – en dat het grappig
is als De Strangers op dezelfde manier kreunen – ik zing flamenco-kreunend ‘Ik moet die
paella ni hemmen 8 !’ –, ik stamp met mijn voeten, leg uit dat het grappig is om vier oude
Antwerpenaars op dezelfde manier met hun voeten te zien rakketakken 9, ik leg de
60 woordspeling uit in ‘heure garnot was zo plat as ne pladijs’ 10 en uiteindelijk heeft ze een
redelijke theoretische kennis van de relatie tussen Spanje, flamenco, paella, The Gipsy
Kings, oude mannen, het Antwerps en waarom ik die combinatie grappig vind.
‘Belgen verkleden zich graag’, lacht ze. ‘Dat is wat Belgen leuk vinden.’
Is dat wat ik net heb uitgelegd?
bron: Naegels, Tom: Los. Antwerpen/Amsterdam: Meulenhoff/Manteau, 2005, p. 54 – 57
1 banana-patata-geschater: toespeling op de uitbundige sfeer tijdens het concert
2 Borgerhout en Seefhoek zijn twee multiculturele wijken in het noorden van Antwerpen.
3 ‘Chamchamcham ai ai banana patata’: namaak-Arabisch dat de zanger van De Strangers voor de grap in het concert zingt
4 Mijn hart gaat naar hen uit (uitdrukking): Ik heb sympathie voor hen.
5 de tl-lamp: buisvormige lamp die een kunstmatig licht geeft
6 het hulstblad: blad van een altijd groene plant, vaak gebruikt voor kerstversieringen
7 Bambolero: internationale hit uit het jaar 1988 van de Frans-Spaanse flamenco-pop-band The Gipsy Kings
8 ni hemmen (Antwerps dialect): niet hebben
9 rakketakken (klanknabootsend woord): ritmisch stampen
10 heure garnot was zo plat as ne pladijs (Antwerps dialect): haar garnaal was zo plat als een platvis
Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert
Opdracht:
Emma, een Nederlandse collega van je tijdens de stage, zet zich sterk in voor kwesties rond integratie. Op haar eigen weblog publiceert ze regelmatig bijdragen over dit thema, ook van vrienden en bekenden uit andere landen. Met behulp van een krantenbericht schrijf je een artikel voor Emma's weblog waarin je aan de hand van de vluchteling Batre factoren beschrijft die aan een succesvolle integratie kunnen bijdragen.
Philipp Demling: Wie ein junger Äthiopier in Franken Heimat und Arbeit fand
Du kannst auch nach Themen lernen
Übe ein Thema mit gemischten Aufgaben aus den Prüfungen aller Jahre.
- Textverständnis: Inhalte wiedergeben (Vat samen / Stel voor) · 32 Aufgaben · 95 % Wahrscheinlichkeit
- Beurteilen und Stellung nehmen im vorgegebenen Textformat (Beoordeel / Bediscussieer) · 32 Aufgaben · 95 % Wahrscheinlichkeit
- Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch · 32 Aufgaben · 95 % Wahrscheinlichkeit
- Analyse von Sachtexten, Karikaturen und Grafiken (standpunt en argumentatie) · 18 Aufgaben · 95 % Wahrscheinlichkeit
- Analyse literarischer Texte (Karakteriseer, literaire middelen) · 14 Aufgaben · 95 % Wahrscheinlichkeit
Andere Prüfungen 2021
GK · Haupttermin · neu einsetzend (2021) · GK · Haupttermin · neu einsetzend · Weiterbildungskolleg (2021) · LK · Haupttermin · fortgeführt (2021)