Aufgabe HT 3 - Klausurteil B · Abitur NRW Niederländisch GK · Haupttermin · fortgeführt 2022

Thema: Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch · Aus der Prüfung GK · Haupttermin · fortgeführt (2022)

Aufgabenstellung

Situatie

Het Vlaams-Nederlandse Huis van de Buren is voor de Week van het Nederlands op zoek naar geschikte sprekers die publiekelijk willen vertellen over de plaats van het Nederlands in België. Jongeren die Nederlands leren, bepalen wie er een uitnodiging krijgt. Jij maakt deel uit van deze groep en beoordeelt aan de hand van een artikel uit 2020 of onderzoekster Laurence Mettewie geschikt is om een lezing te geven.

Informatie over de schrijfster en het artikel

Laurence Mettewie is professor voor Nederlandse taal en meertaligheid aan de Universiteit van Namen in Wallonië. Ze is expert over talenonderwijs en taalbeleid op school. Dit artikel verscheen in “Neerlandia”, het tijdschrift van het “Algemeen Nederlands Verbond” (ANV), een vereniging die de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen op elk gebied wil bevorderen.

Laurence Mettewie: Wordt Nederlands een verplicht vak in Wallonië?

1

In de algemene beleidsverklaring van september 2019 2 verraste de kersverse 3 regering van de

Franstalige gemeenschap (PS, Ecolo, MR 4) met een ambitieuze alinea over de uitbouw en

ondersteuning van moderne talen in het onderwijs. Op het einde van het lijstje goede

voornemens toverde de regering nog een konijn uit de hoed: binnen het eerste jaar van de

5 regeerperiode wordt een breed publiek debat georganiseerd (met de ‘betrokkenen’), om na

te gaan of het wenselijk is om een van de twee andere nationale talen (Nederlands of Duits)

te verplichten als eerste moderne taal. Die zal namelijk vanaf 2022 – overal in Franstalig

België – verplicht worden vanaf het derde jaar van het basisonderwijs, waardoor er op dat

ene niveau ruimte is voor nieuw taalbeleid. Dit is een zeer voorzichtige, maar niet minder

10 symbolische zet, want in Franstalig België is de positie van het Nederlands niet al te rooskleurig.

In Wallonië is het leren van een moderne taal momenteel verplicht vanaf het vijfde jaar van

het basisonderwijs. Vroeger beginnen mag als de school daar de nodige middelen en een

draagvlak 5 voor heeft. In de Franstalige scholen in Brussel en de faciliteitengemeenten 6 moet

het vanaf het derde en mag het vanaf het eerste jaar van het basisonderwijs. Daar is ook

15 wettelijk bepaald dat die taal het Nederlands is, terwijl leerlingen in Waalse scholen de keuze

hebben tussen Nederlands, Duits en Engels, zowel in het middelbaar als in het basisonderwijs.

De cijfers bij de eerstejaars van het middelbaar onderwijs liegen er niet om: Engels is veruit

het populairst (59% in 2015 – 2016), gevolgd door Nederlands (37%) en Duits (2%).

[...]

20 Opvallend is trouwens dat in het voorstel naast het Nederlands ook het Duits besproken zou

worden, vermoedelijk om dit heikele communautaire thema 7 bespreekbaar te maken. De

hamvraag 8 blijft echter door wie dit voorstel gedragen wordt en waarom. De

verkiezingsprogramma’s van de Franstalige partijen brengen duidelijkheid.

De christendemocratische partij (cdH) van de vorige minister van Onderwijs houdt de boot

25 af 9 en uit eerdere reacties blijkt dat cdH liever de keuze aan de ouders overlaat. Ook in de

eerste formatienota (note coquelicot) waarbij cdH betrokken was, stond niets over de

taalkeuze. De socialistische partij (PS) van de huidige minister lijkt talen vooral als een troef te

zien voor de toeristische sector. Défi, een partij die sterk de belangen van Franstaligen

behartigt, wil meertaligheid bevorderen via het immersieonderwijs 10, maar richt verder zijn

30 pijlen op het verdedigen van de rechten van regionale talen en talen van minderheden, waarbij

het vooral om het Frans in Vlaanderen draait. De liberalen (MR) vermelden wel expliciet het

stimuleren van de kennis van de andere nationale taal, het Nederlands, maar ook het Duits.

Hierbij gaat het erom de arbeidskansen te verhogen, de samenwerking tussen de regio’s uit te

bouwen en de economische groei te stimuleren. Ook zij zijn voorstanders van

35 immersieonderwijs. Ecolo, de groenen, onderstreept het belang van talen en van

immersiescholen. De parlementaire vraag over het opstarten van het taalkuezedebat komt

dan ook van een Ecolo-parlementslid, die zijn eis op het Nederlands toespitst. Daarbij

benadrukt hij hoe essentieel dit debat is binnen de hervormingen inzake onderwijskwaliteit

en hoe de eenheid en toekomst van het land op het spel staan. Als enige tweetalige partij in

40 België benadrukt de extreemlinkse PTB-PvdA het belang van de wederzijdse talenkennis

binnen de Belgische context. Ze stelt daarom expliciet voor om de kennis van het Nederlands

in Wallonië te bevorderen en om – met het oog op tweetaligheid voor iedereen in Brussel –

immersieonderricht te veralgemenen. Onderwijs en talenkennis zien ze als een maatschappelijke

en economische springplank, die ook de zwaksten moet vooruithelpen.

45 Kortom, het project om het Nederlands (en het Duits) een bevoorrechte plaats de geven in het

talenonderwijs, lijkt een brug te slaan tussen aan de ene kant de liberale en aan de andere

kant de groene en extreemlinkse partijen. Vanuit verschillende perspectieven stromen hun

beweegredenen samen: betere toekomstperspectieven voor individuen, voor bedrijven aan

weerskanten van de taalgrens, maar ook voor België. Deze bezorgdheid is niet nieuw en

50 past in een historisch perspectief.

Wel blijven er nog veel vragen over. Komt het debat er echt of wordt het langer uitgesteld?

Zien de ‘betrokkenen’ de relevantie van het opleggen van de nationale talen of kiezen ze

gemakshalve voor English-only? Zou verplicht Nederlands of Duits alleen in het derde en

vierde leerjaar gelden of tot alle onderwijsniveaus uitgebreid worden? Komen er middelen

55 voor het ondersteunen en dynamiseren van het taalvak Nederlands? Hoe vinden we voldoende

(gepassioneerde) leraren Nederlands, terwijl er nu al een tekort is van zo’n 35%?

Dat het Nederlands als mogelijk verplicht taalvak op de agenda staat, is in ieder geval een

grote symbolische stap voorwaarts.

bron: Mettewie, Laurence: Wordt Nederlands een verplicht vak in Wallonië? Tijdschrift Neerlandia 1 (2020), jaargang 124

1 Mais oui, avec plaisir (Frans): Jazeker, graag! De cartoon is deel van het artikel.

2 Na de verkiezingen van 26 mei 2019 hebben de gemeenschapsregeringen in de beleidsverklaringen hun politieke beslissingen voor de regeerperiode 2019 t/m 2024 vastgelegd.

3 kersvers: zeer vers, nieuw

4 PS, Ecolo en MR zijn Franstalige politieke partijen in Wallonië (zie later in de tekst).

5 het draagvlak: hier: interesse bij leerlingen, ouders en leerkrachten

6 In een faciliteitengemeente worden diensten ook in een andere landstaal aangeboden, alhoewel ze in een eentalig gebied ligt.

7 dit heikele communautaire thema: het thema waarover de gemeenschappen het niet eens zijn

8 de hamvraag: de belangrijkste vraag

9 de boot afhouden (gezegde): afwachten, niets doen

10 het immersieonderwijs / immersieonderricht: onderwijs waarin er lessen in een andere taal gegeven worden

Klausurteil B: Sprachmittlung isoliert

Opdracht: Willem Bongers-Dek, die werkzaam is bij het Huis van de Buren, interesseert zich voor het Duitse onderwijssysteem en voor de mening van de Duitsers hierover. Kort geleden ben je online op een interessant artikel gestuit.

Schrijf hem een brief waarin je uitlegt wat het probleem is met het Duitse federale onderwijssysteem en hoe de Duitsers over het onderwijssysteem als geheel denken. [18 Punkte]

Bernd Kramer: Gebt dem Bund das Kommando!

Man könnte meinen, in Deutschland grassierten derzeit 16 Varianten des neuartigen Coronavirus, so unterschiedlich reagieren die Länder, so unterschiedlich reagieren vor allem auch ihre Bildungspolitiker. In Nordrhein-Westfalen zum Beispiel hielt die zuständige Ministerin das Virus für so gefährlich, dass sie einer Million Jugendlichen an weiterführenden Schulen für die erste Zeit nach den Ferien auch im Unterricht eine Maske verordnete. Andere Länder verlangen einen Mund-Nasen-Schutz nur auf den Fluren, in Sachsen dürfen die Schulen dagegen selbst entscheiden.

So groß ist das Durcheinander, dass sogar die Bundeskanzlerin vor Kurzem den Kultusministern dringend empfahl, sich auf einheitliche Hygienepläne zu verständigen. Und nicht nur in Corona-Zeiten sind die Unterschiede zwischen den Ländern enorm. Meistens dauert die Grundschule vier Jahre, manchmal aber auch sechs. Manche Länder haben die Hauptschule abgeschafft, andere nur umbenannt. In einem Land schaffen viele Menschen das Abitur, im nächsten wenige. Mal ist die Zahl der Schulabbrecher hoch, mal niedrig.

Nun zeigt eine Umfrage, auf wie wenig Sympathie der Bildungsföderalismus bei den Deutschen stößt. Das Münchner Ifo-Institut hat dafür gut 10 000 repräsentativ ausgewählte Erwachsene befragt. 60 Prozent sagen demnach: Die wichtigsten bildungspolitischen Entscheidungen sollte der Bund treffen.

Die Ifo-Fachleute untersuchten auch, in welchen Bereichen es den Menschen besonders wichtig ist, dass Berlin das Sagen hat. Vor allem die Verantwortung für Lehrpläne und Prüfungen sähen die Deutschen am liebsten beim Bund, den Schulen vor Ort würden sie dagegen die Auswahl ihres Personals überlassen. „Interessanterweise gibt es kein Aufgabengebiet, bei dem sich eine klare Mehrheit für die Verantwortung der Länder ausspricht“, sagt Ifo-Ökonom Philipp Lergetporer.

Das mag auch daran liegen, dass es vielen Menschen schwerfällt zu beurteilen, ob die Verantwortlichen in ihren Bundesländern überhaupt gute Arbeit leisten. Darauf deutet ein kleines Experiment hin, das die Ifo-Forscher in ihre Umfrage einbauten. Sie wollten wissen, wie zufrieden die Befragten mit der Bildungspolitik im jeweiligen Bundesland sind. Stellten sie die Frage ohne weitere Erläuterung, fielen die Ergebnisse relativ ähnlich aus.

Einem Teil der Befragten gaben die Ifo-Forscher allerdings zusätzliche Informationen darüber, wie gut die Schülerinnen und Schüler im jeweiligen Bundesland bei einer deutschlandweiten Leistungsstudie abschnitten. In dem Fall gingen die Einschätzungen sofort auseinander: In den Ländern der Spitzengruppe wurde die Arbeit der Bildungspolitiker mit einem Mal positiver bewertet, in der Schlussgruppe dagegen deutlich negativer.

Dass die Meinung der Menschen sich durch den Hinweis so sehr ändert, bedeutet für die Bildungspolitik nichts Gutes, befürchtet Forscher Lergetporer: „Dieses Ergebnis legt nahe, dass es für politische Karrieren nicht unbedingt vorteilhaft ist, wenn die Schülerleistungen wirklich über Ländergrenzen hinweg vergleichbar sind.“ Die Verantwortlichen in den Ländern hätten somit einen starken Anreiz, einen Vergleich ihrer Schulsysteme zu erschweren.

Und so passiert es auch. Die Kultusminister lassen zwar regelmäßig die Kompetenzen ihrer Schülerinnen und Schüler in wichtigen Fächern wie Mathematik oder Deutsch vom Institut zur Qualitätsentwicklung im Bildungswesen (IQB) in Berlin nach einheitlichen Kriterien testen und veröffentlichen die Ergebnisse auch – allerdings im Abstand von mehreren Jahren, kritisiert Bildungsökonom Lergetporer.

Andere Wissenschaftler wiederum können die Daten aus den IQB-Tests nicht einfach so für sich nutzen: Länderrankings sind ihnen grundsätzlich verboten; und wollen Forschende in ihren Studien einzelne Bundesländer explizit einander gegenüberstellen, müssen sie zuvor ausführlich darlegen, warum das „aus wissenschaftlichen Gründen zwingend notwendig erscheint“, wie es in den Vorgaben des IQB heißt. „Bildungsforschern wird es sehr schwer gemacht, die Politik der einzelnen Bundesländer mit den verfügbaren Daten zu untersuchen und die Wirkung ihrer Maßnahmen miteinander zu vergleichen“, sagt Lergetporer. Dabei gäbe es durchaus eine überdeutliche Mehrheit für noch häufigere bundesweite Schulvergleiche inklusive Ranking, wie die Ifo-Umfrage zeigt: 76 Prozent sind für weitere Schultests zum Bundesländervergleich.

Quelle: Kramer, Bernd: Gebt dem Bund das Kommando! Süddeutsche Zeitung, 02.09.2020

Aufgabenstellung: Aufgabe HT 3 - Klausurteil B · Abitur NRW Niederländisch GK · Haupttermin · fortgeführt 2022

Lösung

Nach den offiziellen Korrekturhinweisen

Schrijf hem een brief waarin je uitlegt wat het probleem is met het Duitse federale onderwijssysteem en hoe de Duitsers over het onderwijssysteem als geheel denken.

Lösung: Briefconventies (aanhef, afsluiting, gepaste toon). De inhoud omvat conform de officiële correctievoorschriften: - De problematiek van het Duitse onderwijsfederalisme (16 verschillende schoolsystemen; grote verschillen in duur van de basisschool, schooltypen zoals de Hauptschule, slagingspercentages voor het vwo/Abitur en het aantal schoolverlaters). - De mening van de Duitsers (een meerderheid van 60% wil dat de belangrijkste beslissingen door het Rijk/de federale overheid worden genomen; wens dat leerplannen en examens federaal geregeld worden; moeilijkheid voor burgers om het beleid te beoordelen zonder vergelijkende data; tevredenheid hangt sterk af van de prestaties van scholieren in de deelstaat; een duidelijke wens (76%) voor meer vergelijkbaarheid van schoolprestaties via landelijke tests en rankings). - Eventueel toelichtingen van cultuur-/landgebonden begrippen (bv. Bund, Länder, Grundschule, Abitur) ter bevordering van het begrip.

Die ausführliche Erklärung Schritt für Schritt (mit KI) gibt es mit Premium. Premium

Löse sie direkt hier: automatische Korrektur, Hinweise und Lösung Schritt für Schritt.

‹ Aufgabe HT 2 - Klausurteil B · GK · Haupttermin · fortgeführt 2022 · Aufgabe HT 1 - Klausurteil B · GK · Haupttermin · neu einsetzend 2022 ›

Mehr Aufgaben zu Sprachmittlung Deutsch → Niederländisch